Gerechtshof Den Haag, 15-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:20, BK-24/779
Gerechtshof Den Haag, 15-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:20, BK-24/779
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 januari 2026
- Datum publicatie
- 26 januari 2026
- Zaaknummer
- BK-24/779
- Relevante informatie
- Art. 32 SW
Inhoudsindicatie
Art. 32, lid 1, onderdeel 4, sub b, SW. Erfbelasting. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat erflaatster ten minste 50% aan zijn levensonderhoud heeft bijgedragen. Aan de onderhoudseis is niet voldaan. Toepassing verhoogde kindvrijstelling afgewezen.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/779
in het geding tussen:
en
(vertegenwoordiger: [...] )
inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 2 juli 2024, nummer SGR 23/2565.
Procesverloop
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de erfbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging van € 29.095 (de aanslag). Daarbij is € 75 belastingrente in rekening gebracht.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft € 50 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 138 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en nadien een nader stuk met dagtekening 24 november 2025.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 december 2025. De Inspecteur is verschenen. Partijen zijn in de onderhavige zaak door de griffier van het Hof bij een digitaal verzonden bericht (gedateerd 15 september 2025) uitgenodigd om te verschijnen op de zitting van 4 december 2025 om 10.00 uur te Den Haag. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het Hof, niet ter genoemde zitting verschenen. Blijkens de bij het hiervoor genoemde bericht opgeslagen metadata in de digitale postkamer van het Hof is het bericht op 15 september 2025, 08:23 uur, verzonden via het webportaal Mijn Rechtspraak. Tegelijk met het bericht is een kennisgeving per e-mail naar het door belanghebbende opgegeven e-mailadres [e-mailadres] verstuurd. Gelet hierop is belanghebbende naar het oordeel van het Hof correct uitgenodigd.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Mevrouw [A] is op [datum] 2021 overleden (erflaatster).
Erflaatster heeft drie zoons; belanghebbende, [B] (zoon 2) en
[C] (zoon 3).
Erflaatster heeft bij testament van [datum] 2020 haar drie zoons benoemd tot erfgenaam voor ieder één derde van de nalatenschap.
Belanghebbende heeft de ziekte van Lyme. Als gevolg hiervan is hij niet meer in staat om te werken en is hij bij erflaatster gaan wonen.
Naar aanleiding van het overlijden van erflaatster is aangifte erfbelasting gedaan.
Daarin is vermeld dat de zuivere nalatenschap € 153.131 bedroeg. In de aangifte is een beroep gedaan op de verhoogde kindvrijstelling van artikel 32, lid 1, onder 4, sub b, van de Successiewet (SW), wettekst 2021.
Naar aanleiding van de aangifte heeft de Inspecteur bij brief van 4 oktober 2022 de volgende vragen gesteld over het beroep op de toegepaste verhoogde kindvrijstelling.
“Welke informatie heb ik van u nodig?
Ik heb van u gegevens nodig waaruit blijkt dat het gehandicapte kind aan de gestelde voorwaarden voldoet. De voorwaarden leest u verderop. In elk geval gaat het om de volgende informatie:
• een opsomming van de jaarlijkse kosten voor het levensonderhoud van het kind
• het bedrag van de eventuele uitkering die hij ontvangt
• het bedrag dat de overledene jaarlijks heeft bijgedragen aan het levensonderhoud van zijn kind
• een antwoord op de vraag of het gehandicapte kind in staat is om zelf te werken
Werkt het kind? Geeft u dan ook aan hoeveel hij verdient.”
Zoon 2 heeft bij e-mailbericht van 6 november 2022 als volgt de vragen beantwoord:
“In antwoord op uw brief van 4 oktober 2022 bericht ik u als volgt.
1. De jaarlijkse kosten voor het levensonderhoud van het kind bestaan uit de volgende posten: VVE, huisvesting, voeding, gas, water, electra, autokosten.
2. Conform de kostendelersnorm was de hoogte van de uitkering tot het overlijden van onze moeder: 50% van de bijstand, dus EUR 523. Het grootste deel hiervan ging op aan aflossingen in het kader van de WSNP. Daarom was extra bijspringen door onze moeder nodig. Na het overlijden van onze moeder is de uitkering: EUR 1.046,73
3. Er is jaarlijks 12 x EUR 523 = EUR 6.276 bijgedragen. Daarnaast ontving mijn broer onder meer geld om benzine te kopen en voer te kopen voor zijn hond. De hond is noodzakelijk om voor zijn gezondheid.
4. [belanghebbende] is niet in staat zelf te werken. Hij heeft geen sollicitatieplicht.
De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag geen rekening gehouden met de verhoogde kindvrijstelling. De belaste verkrijging van belanghebbende is vastgesteld op € 29.095 (een verkrijging van € 50.377 verminderd met de kindvrijstelling voor de erfbelasting van € 21.282). Over de belaste verkrijging is € 2.909 aan erfbelasting verschuldigd (10 procent erfbelasting over de belaste verkrijging). Tevens is € 75 aan belastingrente in rekening gebracht.
De Inspecteur heeft in de bezwaarfase zoon 2, in zijn hoedanigheid van executeur, bij brief van 7 februari 2023 de volgende vragen gesteld die zien op de geclaimde verhoogde kindvrijstelling: