Home

Gerechtshof Den Haag, 03-02-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:350, BK-24/545

Gerechtshof Den Haag, 03-02-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:350, BK-24/545

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
3 februari 2026
Datum publicatie
8 april 2026
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:350
Formele relaties
Zaaknummer
BK-24/545
Relevante informatie
Art. 140 BW Boek 6, Art. 3.92 Wet IB 2001, Art. 3.94 Wet IB 2001

Inhoudsindicatie

Artikel 3.92, lid 1, aanhef en letter a, en art. 3.94 Wet IB 2001. Het Hof oordeelt dat de geldverstrekking, anders dan de Inspecteur stelt, civielrechtelijk kan worden aangemerkt als lening, alsmede dat geen sprake is van een schijnlening of een bodemlozeputlening. De Inspecteur maakt wel aannemelijk dat sprake is van een onzakelijke lening onder het regime van de terbeschikkingstellingsregeling, zodat de afwaardering van de rekening-courantvordering niet aftrekbaar is.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/545

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: [...] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 april 2024, nummer SGR 23/58.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 217.488 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 10.004 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag en de beschikking belastingrente afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en heeft tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een nadere aanvulling op de gronden van het hoger beroep (‘verweerschrift in hoger beroep’) ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 november 2025. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep ter zitting ingetrokken. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende bezat alle certificaten van aandelen in [B.V. 1] die waren uitgegeven door Stichting [...] (de stichting). De stichting was enig aandeelhouder van [B.V. 1] . [B.V. 1] was op haar beurt enig aandeelhouder van [B.V. 2] en [B.V. 3] . [B.V. 1] bezat verder ongeveer 95% van de aandelen in [B.V. 4] .

2.2.1.

Belanghebbende was bestuurder van [B.V. 1] . [B.V. 1] was bestuurder van [B.V. 2] , [B.V. 3] en [B.V. 4] .

2.2.2.

[B.V. 1] was een houdstervennootschap. Zij was daarnaast eigenaar van machines en installaties die voor de productie van sieraden werden verhuurd aan [B.V. 2] . [B.V. 2] produceerde sieraden en trouwringen. [B.V. 3] exploiteerde een groothandel in trouwringen. [B.V. 4] exploiteerde een groothandel in sieraden en horloges.

2.3.

[B.V. 1] vormde samen met [B.V. 2] en [B.V. 3] een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De laatste aangifte in de vennootschapsbelasting van de fiscale eenheid is op 17 december 2015 ingediend en betrof het jaar 2014.

2.4.1.

De Inspecteur heeft op 1 november 2022 jaarcijfers van [B.V. 1] ontvangen waarin onder meer de volgende balansposten zijn opgenomen (in €):

Jaar

Activa (incl. deelnemingen en groepsvorderingen)

Eigen vermogen

Resultaat

Rekening-courant

Groeps-schulden

Overige schulden

2015

228.114

- 406.710

- 547.924

36.798

427.571

- 1.673

2016

11.495

- 660.444

- 253.734

12.798

465.215

- 2.202

2017

- 194.206

- 937.572

- 277.128

-11.202

537.238

- 2.798

2018

- 841.119

- 1.503.210

- 565.638

- 271.135

440.294

12.871

2.4.2.

De Inspecteur heeft op 1 november 2022 voorts jaarcijfers van [B.V. 4] ontvangen waarin onder meer de volgende balansposten zijn opgenomen (in €):

Jaar

Activa

Eigen vermogen

Resultaat

Saldo groeps-vorderingen / schulden

Langlopende schulden

Overige schulden

2015

1.172.552

682.408

- 205.621

482.262

439.361

10.783

2016

1.057.228

551.869

- 130.539

519.906

439.361

25.999

2017

915.013

450.550

- 101.319

566.929

439.361

102

2018

574.417

274.012

- 176.538

440.294

239.361

61.044

2.4.3.

De Inspecteur heeft op 1 november 2022 voorts jaarcijfers van [B.V. 3] ontvangen waarin onder meer de volgende balansposten zijn opgenomen (in €):

Jaar

Activa

Eigen vermogen

Resultaat

Saldo groeps-vorderingen / schulden

Overige schulden

2015

328.085

65.716

- 31.837

- 211.339

51.030

2016

328.446

58.608

- 7.108

- 223.834

46.004

2017

267.413

56.607

- 2.001

- 71.483

45.610

2018

63.108

- 113.225

- 169.832

- 146.201

30.132

2.4.4.

De Inspecteur heeft geen jaarcijfers van [B.V. 2] ontvangen.

2.4.5.

Het saldo van de liquide middelen van [B.V. 1] , [B.V. 4] en [B.V. 3] over de jaren 2017 en 2018 bedroeg volgens de vorenbedoelde jaarcijfers € 5.387 (jaar 2017) respectievelijk € 2.289 (jaar 2018)

2.5.1.

Op [...] 2019 zijn [B.V. 1] en [B.V. 2] failliet verklaard. Op [...] 2020 zijn [B.V. 4] en [B.V. 3] failliet verklaard. In de tussentijdse faillissementsverslagen van 17 mei 2023 van [B.V. 2] , [B.V. 4] en [B.V. 3] respectievelijk het eindverslag van 18 maart 2024 van [B.V. 1] staat onder meer het volgende opgenomen (in €):

Opbrengst activa

Preferente schulden

Concurrente schulden

[B.V. 1]

272,25

4.923,00

1.133,95

[B.V. 2]

11.149,48

25.338,44

35.232,92

[B.V. 3]

1.021,95

46.045,99

18.277,12

[B.V. 4]

9.559,24

Niet aanwezig

37.663,55

2.5.2.

Belanghebbende heeft de vordering op [B.V. 1] uit hoofde van de onder 2.7 vermelde betalingen op 5 juli 2023 ingebracht in het faillissement. Deze vordering is niet opgenomen in het eindverslag van het faillissement van [B.V. 1] van 18 maart 2024.

Geldstortingen en overeenkomsten

2.6.

Belanghebbende was tot 1 augustus 2018 eigenaar van een pand aan de [adres] te [woonplaats] (het pand). Het pand werd verhuurd aan [B.V. 1] en de aan haar gelieerde vennootschappen. Belanghebbende heeft het pand verkocht voor € 392.500. De netto verkoopopbrengst van het pand van € 383.835,72 heeft belanghebbende op 3 augustus 2018 op zijn privébankrekening ontvangen.

2.7.

Eveneens op 3 augustus 2018 heeft belanghebbende van zijn privébankrekening een bedrag van € 150.000 en een bedrag € 118.500 (derhalve in totaal € 268.500) naar de bankrekening van [B.V. 1] overgemaakt. [B.V. 1] heeft deze bedragen doorgestort naar [B.V. 4] . Vervolgens heeft [B.V. 4] op 7 augustus 2018 een bedrag van € 200.000 overgemaakt naar de bankrekening van [A] , de vader van belanghebbende (de vader).

2.8.

Tot de gedingstukken behoort een rekening-courantovereenkomst tussen belanghebbende en [B.V. 1] met als datum van ondertekening 15 maart 1993. Verder behoort tot de gedingstukken een addendum behorende bij voormelde rekening-courant overeenkomst met als datum van ondertekening 30 juni 2013. In deze stukken is onder meer het volgende opgenomen:

-

de looptijd van de overeenkomst is onbeperkt;

-

er wordt op basis van het tarief “wettelijke rente” rente berekend over de stand van de rekening-courant (indien die meer dan € 10.000 bedraagt);

-

op eerste verzoek zal een aflossingsschema worden vastgelegd;

-

als zekerheden door [B.V. 1] zijn gesteld de aandelen in [B.V. 4] en de door [B.V. 4] gehouden eigendom voor zover hier geen rechten door de bankier van [B.V. 4] aan kunnen worden ontleend, alsmede alle bedrijfsmiddelen en machines in het bezit van [B.V. 1] , waartoe op eerste verzoek een pandakte op de goederenvoorraad van [B.V. 4] in de daartoe bestemde registers wordt ingeschreven en zekerheid op alle bedrijfsmiddelen en machines van [B.V. 1] wordt beschreven en in de daartoe bestemde registers wordt ingeschreven;

-

het bedrag in rekening-courant is onmiddellijk opeisbaar in geval van aanvragen tot surseance van betaling of faillissement en ingeval van executoriaal beslag.

2.9.

Tot de gedingstukken behoort een leningsovereenkomst tussen [B.V. 5] , [B.V. 4] , belanghebbende en zijn partner [B] , met als datum van ondertekening 29 oktober 2018. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

-

[B.V. 5] leent met ingang van 29 oktober 2018 € 50.000 aan [B.V. 4] , met de mogelijkheid van verstrekking van aanvullende leningen;

-

belanghebbende en [B] zijn als medeschuldenaren hoofdelijk verbonden tot voldoening van de schuld;

-

de looptijd van de overeenkomst bedraagt 36 maanden;

-

de rente bedraagt 6% per jaar;

-

de aflossing geschiedt uiterlijk aan het eind van de looptijd van de overeenkomst;

-

[B.V. 4] verplicht zich tot het vestigen van een (eerste) pandrecht op al haar bedrijfs- en handelsvoorraden ten gunste van [B.V. 5] ;

-

een positieve verklaring inhoudende dat de schuldenaren ( [B.V. 5] , belanghebbende en [B] ) zich ertoe verbinden op eerste verzoek aanvullende zekerheid verstrekken;

-

een negatieve verklaring inhoudende dat de schuldenaren zich ertoe verbinden geen zakelijke, persoonlijke of andere zekerheiden verstrekken voor de voldoening van enige schuld van henzelf of van derden, tenzij [B.V. 5] daarvoor diens voorafgaande schriftelijke goedkeuring heeft verleend en aan haar zekerheid is of wordt verstrekt die ten minste gelijkwaardig is.

2.10.

Enig aandeelhouder van [B.V. 5] is [B.V. 6] . Enig aandeelhouder van [B.V. 6] is [C] . [C] is tevens firmant in v.o.f. [...] (de vof). De vof handelt ook onder de naam [...] . De vof verzorgt de financiële administratie van belanghebbende en de aan hem gelieerde vennootschappen.

Aanslagregeling

2.11.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2018 aangifte IB/PVV gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.426 negatief, waarin een negatief resultaat uit het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen is begrepen van € 41.895. Belanghebbende heeft daarbij in verband met het faillissement van [B.V. 1] een bedrag van € 271.135 (€ 268.500 (zie 2.7) + bijgeschreven rente) als afwaardering van een vordering op [B.V. 1] in aanmerking genomen. De Inspecteur heeft de afwaardering niet geaccepteerd en heeft het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 217.488.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Kwalificatie rekening-courant vordering

20. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de rekening-courant overeenkomst een bodemloze put lening, dan wel een schijnlening of een deelnemingslening vormt en dat alsdan geen sprake is van een lening, maar van een (informeel) kapitaalverstrekking.

21. Vast staat dat eiser op 3 augustus 2018 in totaal € 265.000 aan [B.V. 1] heeft overgemaakt en dat het saldo van de rekening-courant op 31 december 2018 € 271.135 bedraagt. Tussen partijen is niet in geschil dat de rekening-courant overeenkomst tussen eiser en [B.V. 1] civielrechtelijk als een rekening courant overeenkomst dient te worden aangemerkt. De geldverstrekking in rekening-courant van in totaal € 271.135 is dus civielrechtelijk een lening.

22. Het fiscaal kwalificeren van een lening als een kapitaalverstrekking is in beginsel niet mogelijk. Dit is alleen anders als sprake is van een bodemloze putlening, een schijnlening of een deelnemerschapslening.[1] Van een bodemloze putlening is sprake als ten tijde van het verstrekken van de lening al duidelijk is dat terugbetaling niet mogelijk is. Van een schijnlening is sprake als partijen een geldverstrekking als lening presenteren, maar in werkelijkheid de bedoeling hadden een kapitaalverstrekking tot stand te brengen. Een deelnemerschapslening is een lening die onder zodanige voorwaarden is aangegaan dat de schuldeiser met het door hem uitgeleende bedrag in zekere mate deel heeft in de onderneming van de schuldenaar.

23. Verweerder, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het verstrekken van de lening reeds duidelijk was dat die niet zou kunnen worden terugbetaald. Ook heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat eiser en [B.V. 1] , in weerwil van de rekening-courant overeenkomst en het addendum, in werkelijkheid de bedoeling hadden een kapitaalverstrekking tot stand te brengen. Hetgeen verweerder op dit punt heeft aangevoerd, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Van een bodemloze putlening of een schijnlening is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

24. Verweerder heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een deelnemerschapslening. Aan de voorwaarde dat de schuldeiser met het door hem uitgeleende bedrag in zekere mate deel heeft in de onderneming van de schuldenaar is slechts voldaan, indien de vergoeding voor de geldverstrekking afhankelijk is van de winst, de schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers en de schuld geen vaste looptijd heeft doch slechts opeisbaar is bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie.[2] In artikel 4 van het addendum wordt de rente gekoppeld aan de wettelijke rente. Uit niets blijkt dat die op enigerlei wijze afhankelijk was van de resultaten van [B.V. 1] . Van een deelnemerschapslening is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

25. Gelet op het vorenstaande dient de geldverstrekking van eiser in rekening-courant van in totaal € 271.135 fiscaal als lening te worden gekwalificeerd. Dit brengt mee dat van een kapitaalverstrekking geen sprake is. Het primaire standpunt van verweerder faalt dan ook.

Onzakelijke lening?

26. Verweerder stelt zich subsidiair op het standpunt dat sprake is van een onzakelijke lening, waardoor een afwaardering van de rekening-courant vordering op [B.V. 1] niet kan plaatsvinden.

27. Een afwaardering van een (rekening-courant) vordering wordt niet in aanmerking genomen indien sprake is van een onzakelijke lening. Van een onzakelijke lening is sprake, wanneer een aandeelhouder van een vennootschap aan die vennootschap een geldlening verstrekt en daarbij een debiteurenrisico aanvaardt dat een onafhankelijke derde, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, niet zou hebben aanvaard, ook niet voor een hogere rente. Ingeval geen rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, zonder dat de rente zodanig wordt aangepast dat de geldlening daardoor winstdelend zou worden, moet ervan worden uitgegaan dat de crediteur dit risico heeft aanvaard met de bedoeling zijn belang als aandeelhouder te dienen. De vraag of sprake is van een onzakelijke lening dient beoordeeld te worden naar het moment van het aangaan van de lening, met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur alsnog een onzakelijke lening kan worden.[3] De bewijslast met betrekking tot de onzakelijkheid van de lening rust op verweerder.

28. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot de rekening-courant vordering sprake is van een onzakelijke lening. Daarbij acht de rechtbank van belang dat volgens de door eiser verstrekte geconsolideerde jaarcijfers van [B.V. 1] over de jaren 2015 tot en met 2017 structurele verliezen zijn geleden van respectievelijk € 547.924, € 253.734 en € 277.128 en dat over die jaren tevens sprake is geweest van een negatief eigen vermogen van respectievelijk € 406.710, € 660.444 en € 937.752. De financiële positie van [B.V. 1] was dan ook op het moment dat eiser op 3 augustus 2018 € 265.000 aan [B.V. 1] verstrekte slecht. Nu eiser geen businessplan of een financieel verbeterplan heeft ingebracht, acht de rechtbank het niet aannemelijk, dat er reële vooruitzichten waren dat [B.V. 1] op termijn substantiële omzet en positieve resultaten zou behalen. Eiser heeft ook geen enkele vorm van zekerheid bedongen. Gelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank geen rente worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken onder dezelfde omstandigheden en voorwaarden. Eiser heeft dan ook bij de geldverstrekking op 3 augustus 2018 een debiteurenrisico gelopen die een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen en heeft hiermee onzakelijk gehandeld. Alsdan moet ervan worden uitgegaan dat eiser dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van [B.V. 1] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder te dienen en dat de lening onzakelijk is.

29. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, kan aan voormeld oordeel niet afdoen. De stelling van eiser dat [B.V. 4] in 2018 over een positief eigen vermogen van € 274.012 beschikte en dat dit onder andere de basis is geweest voor de geldverstrekking van € 265.000 acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Uit de door eiser verstrekte jaarcijfers van [B.V. 4] komt naar voren dat ook bij [B.V. 4] in de jaren 2015 tot en met 2017 sprake is geweest van structurele verliezen (€ 205.423, € 130.539 en € 101.319). Daarnaast kan aan het positieve eigen vermogen van [B.V. 4] , gelet op de cijfers van het faillissementsverslag van [B.V. 4] en de stelling van verweerder dat een substantieel deel van de activa van [B.V. 4] kennelijk betrekking heeft op waardeloze groepsvorderingen, geen waarde worden toegekend.

30. Ook de stelling van eiser dat er diverse maatregelen met betrekking tot de financiële positie van [B.V. 1] waren getroffen, zoals de reductie van personeel, de verkoop van het pand om huurkosten te drukken, het huren van een bescheiden kantoorruimte, het huren van een productieruimte en het verkopen van nieuwe unieke concepten in de branche (“de [...] ” en een ontwerpmodule voor trouwringen), faalt. Eiser heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat de onderneming van [B.V. 1] in de ogen van een willekeurige derde, in weerwil van bovengenoemde cijfers en de overige omstandigheden van het geval, per 3 augustus 2018 nog voldoende levensvatbaar zou zijn. Dat eiser er op dat moment nog vertrouwen in had en er positieve reacties waren op de nieuwe concepten maakt dit niet anders.

31. De stelling van eiser dat [B.V. 5] in oktober 2018 bereid was om een lening aan [B.V. 4] te verstrekken, faalt eveneens, aangezien deze lening niet onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden is verstrekt. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het een lening aan [B.V. 4] betreft en niet aan [B.V. 1] . Daarnaast zijn eiser en zijn partner tevens als hoofdelijke mede-schuldenaren aangemerkt. Dit betekent dat [B.V. 5] de vordering ook op het privévermogen van eiser en zijn partner kan verhalen. [B.V. 5] heeft dus meer zekerheden bedongen dan eiser jegens [B.V. 1] . Aldus is deze lening niet onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden verstrekt. De stelling van verweerder dat [B.V. 5] niet als willekeurige derde kan worden aangemerkt, behoeft, gelet op het vorenstaande, geen behandeling meer.

32. Ook de door eiser gegeven oorzaak van het faillissement - de gijzeling van de machines door zijn broer en het ontbreken van de mogelijkheid om opdrachten van afnemers te leveren - heeft niet tot gevolg dat de lening als zakelijk kwalificeert.

33. Het vorenstaande brengt mee dat sprake is van een onzakelijke lening en dat verweerder terecht de afwaardering van de rekening-courant vordering heeft geweigerd.

34. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

(...)

[1] vgl. Hoge Raad 27 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3744

[2] vgl. Hoge Raad 11 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2453

[3] vgl. Hoge Raad 25 november 2011, ECLI:NL:2011:LJN BN3442

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing