Home

Gerechtshof Den Haag, 10-03-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:430, BK-24/991

Gerechtshof Den Haag, 10-03-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:430, BK-24/991

Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting 2018, aftrekbaarheid kosten. Kosten die betrekking hebben op een mogelijke Amerikaanse belastingclaim en herstructurering terecht in aftrek gebracht. Kosten fiscale compliancewerkzaamheden ten behoeve van dga kunnen niet in aftrek worden gebracht, nu deze uitsluitend zijn gemaakt met het oog op de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder. Belastingrente. Zorgvuldigheidsbeginsel. Inspecteur heeft onvoldoende voortvarend gehandeld; vermindering periode berekening belastingrente. Artikel 30hb, lid 2, AWR; schending van artikel 1 EP EVRM. Rechtsherstel. Artikel 1, letter b, Bbi; het voor de vennootschapsbelasting vastgestelde minimumrentepercentage van 4 is in strijd met het evenredigheidsbeginsel, noch met artikel 1 EP EVRM.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/991

in het geding tussen:

(gemachtigde: A.E. Kers)

en

(vertegenwoordiger: [...] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 oktober 2024, nummer SGR 23/4288.

Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2018 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 171.443 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een bedrag van € 6.504 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag en de beschikking belastingrente ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake hiervan is € 365 griffierecht geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op de aanslag te verminderen overeenkomstig deze uitspraak;

- draagt verweerder op de rentebeschikking dienovereenkomstig te verminderen;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- wijst het verzoek om vergoeding voor immateriële schade af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden; en

- bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van griffierecht gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is € 559 griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 3 oktober 2025 een nader stuk ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 oktober 2025. De onderhavige zaak is ter zitting gezamenlijk behandeld met de zaken van belanghebbende met nummers BK-24/990 en BK-24/992. Al hetgeen in de ene zaak wordt aangevoerd, wordt geacht in de andere zaken te zijn aangevoerd, tenzij het specifiek op de desbetreffende zaak betrekking heeft. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is op [datum] 2005 opgericht. Sinds de oprichting van belanghebbende is [A] enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende, waarbij [A] zelfstandig bevoegd is.

2.2.

Belanghebbende houdt alle aandelen in de vennootschap [B.V. 1] , die op haar beurt deelnemingen in diverse in Nederland gevestigde vennootschappen en één in [buitenland] gevestigde vennootschap houdt. Tussen belanghebbende en [B.V. 1] bestaat geen fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Belanghebbende houdt daarnaast alle aandelen in de vennootschap [Inc. 1] , die in [datum] 2013 is opgericht naar het recht van de [Staat 1] en is gevestigd in de Verenigde Staten. [Inc. 1] verleent diensten met betrekking tot (het ter beschikking stellen van) software in de Verenigde Staten, die alleen in de Verenigde Staten kan worden gebruikt. De software wordt door een in Nederland gevestigde kleindochtervennootschap van belanghebbende, [B.V. 2] , ontwikkeld.

2.3.

De activiteiten van belanghebbende hebben betrekking op het verlenen van managementdiensten aan haar dochtervennootschappen, waarvoor belanghebbende een management fee ontvangt. De dochtervennootschappen verrichten operationele activiteiten op het gebied van [...] .

2.4.

Met ingang van 18 augustus 2014 is [A] door belanghebbende uitgezonden om als Chief Executive Officer te functioneren bij [Inc. 1] . Ter zake van de uitzending is tussen belanghebbende en [A] een International Assignment Letter (de International Assignment Letter) overeengekomen waarin de voorwaarden van de uitzending zijn vastgelegd. Voor het uitzenden van personeel ontvangt belanghebbende een vergoeding van [Inc. 1] op grond van een tussen beide gesloten Secondment Agreement.

2.5.

Over de door belanghebbende aan [A] te vergoeden kosten in verband met zijn internationale opdracht bij [Inc. 1] staat in de International Assignment Letter, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vermeld:

“2.3 GOODS & SERVICES ALLOWANCES

The goods and services allowance is designed to cover the standard excess, if any, of host country cost incurred for food, clothing, transportation, household services and equipment, personal care and recreation, over those same costs in the home location. The calculation of the allowances is based on your base salary as well as your family size. The allowances for you, based upon your family size, income level and assignment location will be determined at a later date. The allowances can be reviewed periodically, in accordance with [belanghebbendes] policy, and adjusted, if necessary. The allowances become effective the day you complete your temporary living and actually begin living in your host country residence.”

2.6.

Naar aanleiding van de in 2.4 genoemde uitzending is [A] in augustus 2014 met zijn gezin naar de Verenigde Staten verhuisd. Met ingang van 18 augustus 2024 is [A] fiscaal inwoner van de [Staat 2] (Verenigde Staten) en per 1 januari 2015 is [A] op federaal niveau fiscaal inwoner geworden.

2.7.

Op 1 januari 2018 is in de Verenigde Staten de “Tax Cuts and Jobs Act” (TCJA) in werking getreden. Onderdeel van de TCJA was de “Global Intangible Low-Taxed Income”-wetgeving (GILTI-wetgeving).

2.8.

In 2018 heeft belanghebbende onder meer € 156.871 aan advieskosten gemaakt. Dit betrof werkzaamheden verricht door adviseurs gevestigd in de Verenigde Staten en Nederland, waaronder [Adviseurs 1] en [Adviseurs 2] . Hiervan heeft een deel ter grootte van € 127.043 betrekking op een herstructurering van de ondernemingsstructuur van belanghebbende ter voorkoming van een toerekening van de ondernemingsresultaten aan [A] en een mogelijke economische dubbele heffing als gevolg van de inwerkingtreding van de GILTI-wetgeving. Een bedrag aan kosten van € 29.828 houdt verband met de tax compliance van [A] in de Verenigde Staten.

2.9.

De in 2.8 bedoelde herstructurering is in oktober 2018 uitgevoerd, waarbij de aandelen in de dochtervennootschap [B.V. 1] middels een aandelenfusie zijn ingebracht in een nieuw opgerichte Amerikaanse tussenholding, [Inc. 2] , tegen uitreiking van aandelen in [Inc. 2] . Door voortschrijdend inzicht en wijzigingen in de Amerikaanse wetgeving is gebleken dat het bestaan van [Inc. 2] niet langer noodzakelijk was voor het mitigeren van voornoemde gevolgen van de GILTI-wetgeving en is [Inc. 2] in 2021 geliquideerd. Belanghebbende heeft daardoor weer een rechtstreeks belang in [B.V. 1] gekregen.

2.10.

Belanghebbende heeft op 23 april 2019 de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2018 (de aangifte) ingediend naar een belastbaar bedrag van € 9.210, waarbij (onder meer) de in 2.8 genoemde advieskosten als onderdeel van de post “andere kosten” in aftrek zijn gebracht.

2.11.

De Inspecteur heeft bij brief van 19 maart 2020 vragen gesteld over de in de aangifte in aftrek gebrachte kosten, waarop belanghebbende heeft gereageerd bij brief met dagtekening 5 juni 2020. Op 23 juli 2021 heeft de Inspecteur nadere vragen gesteld, waarop belanghebbende heeft geantwoord bij brief met dagtekening 28 september 2021. In voornoemde brief heeft belanghebbende aan de Inspecteur medegedeeld dat de advieskosten effectief volledig zijn doorbelast aan (gedekt door) groepsmaatschappijen van belanghebbende in de vorm van een management fee die in rekening is gebracht aan [B.V. 1] en een fee voor uitgezonden personeel die in rekening is gebracht aan [Inc. 1] .

2.12.

Bij brief van 12 augustus 2022 heeft de Inspecteur aangekondigd dat hij voornemens is af te wijken van de ingediende aangifte. In deze brief staat, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende:

“De gemaakte advieskosten zijn in beginsel aftrekbaar voor zover gedaan met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. Echter, naar mijn mening is het motief voor de gemaakte advieskosten gelegen in aandeelhoudersmotieven en zijn de kosten niet gemaakt ten behoeve van de onderneming. De directeur-grootaandeelhouder voorkomt middels de herstructurering het in privé ontstaan van de acute Amerikaanse belastingheffing. De benodigde advieskosten om deze herstructurering te verkrijgen, behoren derhalve ook in privé gedragen te worden. Nu deze advieskosten bij [belanghebbende] zijn gealloceerd, ben ik van mening dat de herstructureringskosten onjuist zijn gealloceerd en geen aftrekbare kosten vormen.”

Op voormelde aankondiging van de Inspecteur heeft belanghebbende gereageerd bij brief van 11 oktober 2022.

2.13.

Bij kennisgeving van 21 oktober 2022 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij zal afwijken van de aangifte. In de kennisgeving is, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vermeld:

“4. Gevolgen voor de belastbare winst

Oordeel van de Rechtbank

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing