Home

Gerechtshof Leeuwarden, 10-02-2003, AF5056, BK 555/01 Rioolrechten

Gerechtshof Leeuwarden, 10-02-2003, AF5056, BK 555/01 Rioolrechten

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10 februari 2003
Datum publicatie
26 februari 2003
ECLI
ECLI:NL:GHLEE:2003:AF5056
Formele relaties
Zaaknummer
BK 555/01 Rioolrechten

Inhoudsindicatie

-

Uitspraak

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

BELASTINGKAMER UITSPRAAK

Nr.: 555/01 10 februari 2003

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van Stichting X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Y (: de heffingsambtenaar) gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslagen rioolrecht voor het jaar 2000.

1. Het ontstaan en de loop van het geding.

1.1. Met de dagtekening 29 september 2000 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende bij één aanslagbiljet 1.069 aanslagen rioolrecht voor het jaar 2000 ten bedrage van in totaal f 327.755,40 (1.069 x f 306,60) opgelegd.

1.2. Nadat door belanghebbende bij de heffingsambtenaar tijdig een bezwaarschrift was ingediend, heeft laatstgenoemde bij de bestreden uitspraak van 21 juni 2001 de aanslagen gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij beroepschrift (met bijlagen) dat ter griffie van het hof is ingekomen op 1 augustus 2001 en dat werd aangevuld bij brief (met bijlagen) van 26 november 2001.

1.4. Op 15 februari 2002 is het verweerschrift (met bijlagen) van de heffingsambtenaar ter griffie ingekomen.

1.5. Vervolgens hebben - met toestemming van het hof - belanghebbende en de heffingsambtenaar respectievelijk op 3 april 2002 een conclusie van repliek en op 26 april 2002 een conclusie van dupliek ingediend.

1.6. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden door het hof op 18 november 2002 te Leeuwarden. Op de zitting zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door A, alsmede de heffingsambtenaar B, bijgestaan door mr C. Belanghebbende had het hof reeds op 14 november 2002 een pleitnotitie doen toekomen. Deze pleitnotitie is ter zitting voorgelezen. Door de heffingsambtenaar is eveneens ter zitting een pleitnota voorgelezen en overgelegd.

1.7. Van alle genoemde en nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Tussen partijen staat het volgende als niet, althans onvoldoende, weersproken vast:

2.1. De onderhavige aanslagen hebben betrekking op 1.069 direct op het buizenstelsel van de gemeentelijke riolering van de gemeente Y (: de gemeente) aangesloten woningen, waarvan belanghebbende bij het begin van het onderhavige belastingjaar eigenaresse was.

2.2. In de gemeente zijn in totaal 3.968 eigendommen - waaronder genoemde 1.069 woningen - direct aangesloten op het - door of in opdracht van de gemeente te onderhouden - buizenstelsel van de gemeentelijke riolering dat het van die eigendommen afkomstige (afval)water afvoert, terwijl de rechthebbenden van de 596 eigendommen gelegen in het zogenaamde buitengebied niet direct zijn aangesloten op dat buizenstelsel en zelf zorg dragen voor een goed werkende zuiveringsvoorziening (door middel van een septic tank of IBA) alsmede afvoer van het (afval)water. Een gering deel van het laatstbedoelde water komt terecht in het oppervlaktewater door lozing op aangrenzende (berm)sloten, die (via andere sloten) zijn verbonden met water dat in beheer en onderhoud is van het waterschap. De kosten die door de gemeente gemaakt moeten worden ter zake van onderhoud (uitbaggeren) van deze sloten - voor zover ze eigendom van de gemeente zijn - vloeien niet voort uit de rioleringszorg van de gemeente, maar worden gemaakt omdat de gemeente, als eigenaresse, zorgdraagt voor het onderhoud, waartoe zij door het waterschap wordt verplicht.

2.3. De genoemde 3.968 eigendommen zijn door de gemeente in de onderhave heffing betrokken en de laatstgenoemde groep van 596 eigendommen niet. Van laatstgenoemde eigendommen grenzen er 48 aan wegen die in eigendom/onderhoud zijn bij de provincie en 548 aan wegen die (grotendeels) in eigendom/onderhoud zijn bij de gemeente.

2.4. In de begroting 2000 van de gemeente Y, welke aan het belastingtarief rioolrecht ten grondslag ligt, is ter zake van het onderdeel "riolering en waterzuivering" als totaal geraamde lasten van het dienstjaar f 1.999.270,- (onderverdeeld in "pompen en riolen (rioolgemalen)'' f 1.234.966,- en "Gemeentelijk rioleringsplan, Reservering riolering" f 764.304,-) opgenomen en als totaal geraamde baten van het dienstjaar f 1.215.714,-.

2.5. Na bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij de bestreden uitspraak de onderhavige door hem opgelegde aanslagen rioolrecht onverkort gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is het antwoord op de vragen:

-of de heffingsambtenaar heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de eigendommen in het buitengebied die niet direct op het gemeentelijke rioleringsstelsel zijn aangesloten buiten de heffing te laten en de eigendommen die direct op dat stelsel zijn aangesloten in de heffing te betrekken;

-of de heffingsambtenaar heeft gehandeld in strijd met artikel 229b van de Gemeentewet, zoals die wet in het onderhavige belastingjaar gold (: de Gemeentewet).

3.2. Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend en de heffingsambtenaar ontkennend.

Belanghebbende voert - kort samengevat - aan dat de gemeente heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat door laatstgenoemde de hiervoor genoemde 504 eigendommen niet in de heffing van rioolrecht zijn betrokken en dat door de gemeente is gehandeld in strijd met artikel 229b van de gemeentewet, omdat de gemeente ten onrechte de kosten voor het realiseren van uitbreidingsinvesteringen - voor bergbezinkvoorzieningen en voor de aansluiting van een aantal eigendommen in het buitengebied, ten aanzien waarvan op de gemeente (in de toekomst) de plicht rust deze aansluiting te bewerkstelligen - doorberekent in haar tarief voor het rioolrecht.

De heffingsambtenaar stelt - kort weergegeven - dat hij noch heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de eigendommen in het buitengebied buiten de heffing te laten noch met artikel 229b van de gemeentewet.

3.3. Voor een uitgebreidere weergave van de wederzijdse standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken, waaraan ter zitting geen nadere gronden zijn toegevoegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1. Op grond van artikel 2, lid 1 van de Verordening rioolrecht 1997 van de gemeente Y, zoals deze verordening in het onderhavige belastingjaar gold (: de verordening), wordt onder de naam "rioolrecht" een recht geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van een eigendom dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.

Artikel 1, aanhef en onder a, van de verordening bepaalt dat onder de toepassing van deze verordening onder gemeentelijk riolering mede het voor de openbare dienst bestemde gemeentewater wordt begrepen.

4.2. Tussen partijen is niet in geding dat de onderhavige aanslagen - elk ten bedrage van f 306,60 - zijn opgelegd overeenkomstig de verordening. Daarmee wordt naar het oordeel van het hof niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

4.3. Er is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel indien door de heffingsambtenaar ten aanzien van met belanghebbende in het kader van de heffing van het onderhavige rioolrecht vergelijkbare gevallen een begunstigend beleid wordt gevoerd, dan wel indien hij ten aanzien van de meerderheid van die vergelijkbare gevallen in het kader van die heffing begunstigend handelt, terwijl belanghebbende van bedoelde begunstiging verstoken blijft.

4.4. Op grond van de onder 2.2. vermelde vaststaande feiten, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de eigendommen in het buitengebied, die niet direct zijn aangesloten op het buizenstelsel van de gemeentelijke riolering enerzijds en de eigendommen - waaronder die van belanghebbende - die wel direct zijn aangesloten op dat stelsel anderzijds, geen gelijke gevallen zijn die in het kader van de heffing van het onderhavige rioolrecht een gelijke behandeling behoeven. Daarnaast rechtvaardigen de onder 2.2. weergegeven verschillen het onderscheid dat de gemeente in de heffing van rioolrecht aanbrengt, inhoudende dat de eigendommen die een directe aansluiting hebben op het buizenstelsel van de gemeentelijke riolering een aanslag opgelegd krijgen en de eigendommen die een directe aansluiting ontberen niet.

Er is derhalve geen sprake van schending van in rechte te beschermen gelijke behandeling van gelijke gevallen, ongeacht het antwoord op de vraag of (een deel van) laatstgenoemde eigendommen in het buitengebied op grond van de verordening in de heffing betrokken zou(den) kunnen worden.

4.5. Artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet bepaalt, voor zover van belang, dat in de verordening op grond waarvan rioolrecht wordt geheven, de tarieven zodanig worden vastgesteld dat de geraamde baten van het rioolrecht niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake, terwijl lid 2 luidt dat onder de in het eerste lid bedoelde lasten mede worden verstaan bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa.

4.6. Uit de Memorie van Toelichting bij laatstgenoemde bepaling (Kamerstukken II, 1989/90, 21 591, blz. 81, Wet van 27 april 1994, Stb. 419) komt het volgende naar voren:

"Onder bepaalde omstandigheden is het derhalve mogelijk stortingen in de reserves via retributieheffing te verhalen. Het dient daarbij slechts te gaan om toekomstige investeringen ten behoud van het bestaande voorzieningenniveau. Reserves voor uitbreiding van het voorzieningenniveau kunnen niet op deze wijze worden verhaald."

4.7. Nog daargelaten dat er geen sprake is van de door belanghebbende gestelde strijd met artikel 229b van de gemeentewet, reeds omdat uit de vaststaande feiten onder 2.4. volgt dat de geraamde lasten die niet worden aangemerkt als "Reservering riolering", te weten de post "pompen en riolen (rioolgemalen)" ad f 1.234.966, waarin geen reserveringen of voorzieningen zijn opgenomen, de geraamde baten ad f 1.215.714 overschrijden en er voor het hof geen reden is aan de betrouwbaarheid van deze bedragen te twijfelen, is het hof met de heffingsambtenaar van oordeel dat bergbezinkvoorzieningen - dit zijn naar niet ,althans onvoldoende, weersproken is komen vast te staan: reservoirs voor tijdelijke opvang van afvalwater waarin tevens slibafzetting plaatsvindt met een voorziening om het slib te kunnen verwijderen en waaruit overstortingen plaatsvinden - geen uitbreidingen van het bestaande buizenstelsel van de gemeentelijk riolering inhouden maar voorzieningen zijn om het bestaande stelsel aan de hedendaagse eisen te laten voldoen en om de continuïteit van het bestaande rioleringssysteem te kunnen waarborgen. Een reservering voor laatstomschreven voorzieningen valt dus binnen de grenzen van lid 2 van genoemd artikel 229b. Evenzeer geldt dit voor de reservering die betrekking heeft op (toekomstige) aansluitingen van eigendommen in het buitengebied, waarbij het , naar niet althans onvoldoende weersproken vaststaat, slechts gaat om het aanbrengen van spruitstukken op bestaande ter plaatse reeds aanwezige hoofdleidingen om die aansluitingen te bewerkstelligen. Ook hier kan niet worden gesproken van een uitbreiding van het bestaande stelsel. Ook anderszins is het hof niet aannemelijk geworden dat de gemeente geraamde lasten die betrekking hebben op toekomstige uitbreiding van het rioleringsstelsel in de geldende tarieven heeft verdisconteerd door daarvoor in de begroting een reservering of voorziening op te nemen.

Het hof is, ook overigens, niet aannemelijk geworden dat de gemeente bij het opmaken van de aan de tarieven ten grondslag liggende begroting voor het belastingjaar 2000 heeft gehandeld in strijd met het bepaalde, dan wel het doel en de strekking van, artikel 229b van de Gemeentewet. Evenmin is aannemelijk geworden dat sprake is van handelen in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van de zijde van de gemeente.

4.8. De conclusie luidt derhalve dat het gelijk aan de kant van de heffingsambtenaar ligt.

4.9. Er is geen aanleiding te komen tot een proceskostenveroordeling.

5. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.

Gedaan op 10 februari 2003 door mr F.J.W. Drion, raadsheer als voorzitter, mrs J. Huiskes en H.H.A. Fransen, beiden raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van mw mr M. Hiemstra als griffier, en ondertekend door voornoemde voorzitter en griffier.

Op 26 februari 2003 afschrift aangetekend aan beide partijen gezonden.