Home

Gerechtshof 's-Gravenhage, 16-08-2011, BT1836, BK-10/00554

Gerechtshof 's-Gravenhage, 16-08-2011, BT1836, BK-10/00554

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16 augustus 2011
Datum publicatie
16 september 2011
ECLI
ECLI:NL:GHSGR:2011:BT1836
Formele relaties
Zaaknummer
BK-10/00554

Inhoudsindicatie

Beroepschrift niet tijdig ingediend. De rechtbank heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-10/00554

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 16 augustus 2011

in het geding tussen

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

en

de voorzitter van het managementteam van Belastingdienst/Limburg (hierna: de Inspecteur)

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 juni 2010, nummer AWB 09/4690 VPB, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is door de Inspecteur met dagtekening 4 december 2004 voor het jaar 2001 een aanslag in de vennootschapsbelasting (aanslagnummer [xx.xx.xxx.x.xx.xxxx], hierna: de aanslag) opgelegd naar een ambthalve vastgesteld belastbaar bedrag van € 517.269.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 15 november 2006, heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag afgewezen en de belastbare winst gehandhaafd op € 517.269, doch, aangezien er na vermindering van de aanslagen over 1999 en 2000 nog een te verrekenen verlies van € 8.235 resteert, het belastbare bedrag vastgesteld op € 509.034.

1.3. Belanghebbende heeft bij brief van 12 juni 2009, gericht aan de Inspecteur, nogmaals bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Bij brief van 3 juli 2009 heeft de Inspecteur het schriftuur doorgestuurd naar de rechtbank. De rechtbank heeft het schriftuur aangemerkt als beroepschrift en bij uitspraak het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is op 2 juli 2010 aan belanghebbende verzonden.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Het hogerberoepschrift is op 10 augustus 2010 bij het Hof binnengekomen. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 448. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak was gepland voor de zitting van het Gerechtshof van 31 mei 2011. Op verzoek van belanghebbende is de mondelinge behandeling uitgesteld. Vervolgens is, na telefonisch overleg met belanghebbende de mondelinge behandeling van de zaak voorzien op 5 juli 2011. Belanghebbende heeft op 1 juli 2001 schriftelijk verzocht de mondelinge behandeling van de zaak nogmaals uit te stellen. Het Hof heeft dat verzoek afgewezen op de grond dat het in de in het verzoek vermelde gronden onvoldoende aanleiding zag voor een nader uitstel. De afwijzing van het verzoek is aan belanghebbende op 1 juli 2011 telefonisch en op 4 juli 2011 schriftelijk medegedeeld. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 5 juli 2001 te ’s-Gravenhage. Aldaar is de Inspecteur wel, doch belanghebbende niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. De Inspecteur heeft ter zitting een aantal stukken overgelegd. Afschriften van deze stukken zijn aan belanghebbende toegestuurd. Daarbij is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om op deze stukken te reageren.

2.4. Bij brief van 20 juli 2011 heeft belanghebbende op die stukken gereageerd.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Bij brief van 8 november 2004 heeft de Inspecteur aan belanghebbende het volgende medegedeeld:

Betreft vaststelling ambtshalve aanslag

(…)

Per ultimo 1999 is een vervangingsreserve gevormd ten bedrag van ƒ 1.139.912 (€ 517.269).

De vennootschap is aangekocht door een B.V. (…). Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat in casu louter sprake is van de handel in belastingschulden. De vennootschappen worden niet aangekocht met de bedoeling tot een reële vervanging over te gaan. (…) Gelet op de omvang van de aangekochte vervangingsreserve-vennootschappen alsmede het daarbij gevolgde patroon ben ik van mening dat in casu (ten tijde van de verwerving door de [A-Groep]) niet (langer) gesproken kan worden van een vervangingsvoornemen. Ik leg derhalve een ambtshalve aanslag vennootschapbelasting over 2001 op naar een belastbare winst van € 517.269.

3.2. Met dagtekening 4 december 2004 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2001 opgelegd, aanslagnummer [xx.xx.xxx.x.xx.xxxx], naar een ambtshalve vastgesteld belastbaar bedrag van € 517.269. Het daarover te betalen bedrag aan belasting bedraagt € 179.909. Voorts zijn bij beschikking een verzuimboete van € 340 aan belanghebbende opgelegd en is een bedrag van € 16.659 aan heffingsrente in rekening gebracht. Het totaal te betalen bedrag bedroeg € 196.908. De aanslag is geadresseerd aan belanghebbende, [Postbus 1], [postcode 1] [Z].

3.3. Belanghebbende heeft bij brief van 6 december 2004 bezwaar tegen de aanslag gemaakt, waarin is uiteengezet dat het tot op dat moment niet mogelijk was een complete jaarrekening in te dienen.

3.4. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 november 2006, verzonden aan het adres [a-straat 1] te [Z], de belastbare winst gehandhaafd, doch het belastbaar bedrag nader vastgesteld op € 509.034 in verband met een te verrekenen verlies.

3.5. Op 6 januari 2007 heeft de Inspecteur naar aanleiding van de uitspraak op bezwaar aan belanghebbende een kennisgeving van de vermindering van de aanslag tot een bedrag aan belasting van € 177.027 toegezonden. De heffingsrente werd daarbij verminderd tot € 16.392. De verzuimboete bleef gehandhaafd op € 340. Het totaal verschuldigde bedrag bedroeg (afgerond) € 193.758.

3.6. Op 17 april 2007 heeft de Ontvanger een dwangbevel ter post bezorgd ter zake van voormelde belastingschuld ad € 193.758, vermeerderd met de kosten van aanmaning ad € 13, in totaal derhalve € 193.771.

3.7. Op 7 mei 2007 heeft de Ontvanger ten laste van belanghebbende een exploot houdende hernieuwd bevel tot betaling gedaan ter zake van het aanslagnummer [xx.xx.xxx.x.xx.xxxx]. Voormeld bedrag van € 193.771 werd verhoogd met de kosten van betekening van het dwangbevel ad € 10.151, in totaal derhalve € 203.922. Dit bedrag werd verhoogd met een bedrag van € 19.391 ter zake van verschuldigde rente tot 4 mei 2007. De belastingdeurwaarder heeft een afschrift van het exploot achtergelaten op het adres [a-straat 1], [postcode 2] [Z].

3.8. Bij brief van 12 juni 2009, ingekomen bij verweerder op 26 juni 2009, heeft eiseres een tweede bezwaarschrift ingediend tegen de hiervoor onder 3.1 genoemde aanslag. Volgens het bezwaarschrift bedraagt het resultaat voor belasting ƒ 36.443. Bij het bezwaar is een aangifte vennootschapbelasting voor het jaar 2001 gevoegd, gedagtekend 12 juni 2009. In de aangifte is een herinvesteringsreserve opgenomen welke aan het begin en aan het einde van het jaar ƒ 1.139.912 bedraagt.

3.9. De in 3.8 vermelde brief is door de Inspecteur op 3 juli 2009 als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank en aldaar ontvangen op 6 juli 2009.

Omschrijving geschil in hoger beroep, standpunten en conclusies van partijen

4.1. In geschil is of het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt. Indien het beroep van belanghebbende ontvankelijk is, is voorts in geschil of de Inspecteur terecht de herinvesteringsreserve heeft laten vrijvallen en aan de winst van belanghebbende heeft toegevoegd en of de Inspecteur terecht een verzuimboete heeft opgelegd.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

4.3. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur, en tot vermindering van de bestreden aanslag.

4.4. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

5.1. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij voor “eiseres” dient te worden gelezen: belanghebbende en voor “verweerder” dient te worden gelezen: de Inspecteur:

3.6. De rechtbank staat allereerst voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Awb zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift eveneens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen (artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb).

Ingevolge artikel 6:15, derde lid, van de Awb is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend.

3.7. De dagtekening van de bestreden uitspraak op bezwaar is 15 november 2006, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 28 december 2006. Het beroepschrift is op 26 juni 2009 bij verweerder ontvangen. Het beroepschrift is dus gelet op artikel 6:9, eerste en tweede lid in samenhang met artikel 6:15, derde lid, van de Awb niet tijdig ingediend.

3.8. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.9. Eiseres stelt gemotiveerd dat zij de uitspraak op bezwaar van 15 november 2006 niet heeft ontvangen.

3.10. Verweerder voert aan dat de uitspraak op bezwaar met dagtekening 15 november 2006 is gezonden naar het adres [a-straat 1] in ([postcode 2]) [Z]. Op verzoek van eiseres wordt de post naar dit adres gestuurd en niet naar het postbusadres dat staat vermeld op het briefpapier van eiseres.. Verweerder acht het onwaarschijnlijk dat eiseres de uitspraak op bezwaar van 15 november 2006 noch de verminderingsbeschikking van 6 januari 2007 heeft ontvangen.

3.11. Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of door uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

3.12. Nu eiseres betwist dat de uitspraak op bezwaar aan haar is verzonden, dient verweerder bewijs van het tegendeel te leveren (Vgl. Hoge Raad 12 januari 2007; LJN AZ5902). Hierin is verweerder geslaagd. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de uitspraak op bezwaar van 15 november 2006. De uitspraak is geadresseerd aan eiseres op het adres [a-straat 1] in [Z]. Weliswaar komt dit adres niet overeen met het adres van eiseres in het handelsregister maar dit adres staat vermeld op haar briefpapier. Voorts heeft verweerder op de zitting verklaard dat de uitspraak op bezwaar is verzonden.

3.13. Gelet op het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de uitspraak op bezwaar op juiste wijze aan eiseres is bekendgemaakt zodat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is.

3.14. Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. Volgens de aan de rechtbank bekende gegevens is het beroepschrift ingediend door een niet daartoe bevoegd persoon. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, onder a in samenhang met artikel 6:6 van de Awb moet de indiener in de gelegenheid worden gesteld om het verzuim te herstellen. Een en ander is eerst ter zitting gebleken. Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank ervan afgezien eiseres alsnog in de gelegenheid te stellen het verzuim te herstellen.

3.15. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep niet-ontvankelijk.

3.16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de uitspraak op het bezwaar en/of de verminderingsbeschikking niet door de Inspecteur zijn verzonden, heeft het volgende te gelden. Door belanghebbende is niet gesteld dat het dwangbevel, gedagtekend 17 april 2007, dat door de Inspecteur ter post is bezorgd door haar niet is ontvangen. Belanghebbende heeft niet dan wel onvoldoende bestreden dat de deurwaarder op 7 mei 2007 aan haar een exploot, houdende hernieuwd bevel tot betaling ter zake van het aanslagnummer [xx.xx.xxx.x.xx.xxxx], heeft uitgebracht en een afschrift daarvan heeft achtergelaten op het adres [a-straat 1] te [postcode 2] [Z]. Geconcludeerd moet derhalve worden dat belanghebbende door de ontvangst op 17 april 2007 van voormeld dwangbevel en de ontvangst op 7 mei 2007 van het exploot op de hoogte was dan wel redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de uitspraak op het bezwaar en/of de verminderingsbeschikking, zodat moet worden geoordeeld dat belanghebbende met haar brief van 12 juni 2009, houdende een verzoek tot vermindering van de aanslag, niet binnen een redelijke termijn nadien in beroep is gekomen. De rechtbank heeft het beroep derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

6.2. Ten overvloede overweegt het Hof dat belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die het bestaan van het door haar gestelde vervangingsvoornemen aannemelijk maken. Enige concrete handeling van of namens het bestuur van belanghebbende gericht op de vervanging van het in 1999 verkochte pand, zodanig dat daaruit per 31 december 2001 het bestaan van een voornemen tot vervanging is af te leiden, is gesteld noch gebleken. Ook in dat opzicht is het gelijk aan de Inspecteur.

6.3. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 16 augustus 2011 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.