Ga verder naar content

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15-10-2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BP6035, 09/00253

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15-10-2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BP6035, 09/00253

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15 oktober 2010
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2010:BP6035
Zaaknummer
09/00253

Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een auto met een dubbele cabine en grijs kenteken. Bij een controle in oktober 2006 is geconstateerd dat het tussenschot tussen de zitruimte en de laadruimte ontbrak. De inspecteur heeft vervolgens een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over de periode 13 maart 2006 tot en met 29 december 2006. Belanghebbende heeft gesteld dat het tussenschot slechts twee weken verwijderd is geweest om een bank voor haar zoon te kunnen vervoeren naar zijn studentenkamer. Ter zitting van het hof heeft de inspecteur voor het eerst alsnog deze stelling van belanghebbende betwist maar hij heeft zich uiteindelijk alsnog accoord verklaard de naheffingsaanslag te verminderen tot twee weken. Het hof heeft de zitting vervolgens aangehouden en de inspecteur gevraagd een nadere berekening van de verschuldigde belasting in te sturen. Dit doet de inspecteur, maar hij betwist daarbij wederom het standpunt van belanghebbende dat het tussenschot niet meer dan twee weken verwijderd is geweest. Volgens de inspecteur rust op belanghebbende de bewijslast te doen blijken dat het tussenschot niet meer dan twee weken verwijderd is geweest. Dit gaat het hof te ver. De inspecteur heeft volgens het hof tijdens de zitting uitdrukkelijk, onvoorwaardelijk en op niet te misverstane wijze toegezegd de naheffingsaanslag te beperken tot twee weken. Hij mag daar later dan niet op terugkomen. Het hof vermindert ook de opgelegde boete van € 966. Een boete van € 25 acht het hof passend en geboden.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00253

Uitspraak op het hoger beroep van

mevrouw X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 1 april 2009, nummer AWB 08/538 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Centrale Administratie van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag en boetebeschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 0000.00.000.Y.6.90001 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 996 aan belasting. Tegelijkertijd is, in één geschrift verenigd met de naheffingsaanslag, bij voor bezwaar vatbare beschikking een boete opgelegd van € 996. Na tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep met betrekking tot de boetebeschikking gegrond verklaard, het beroep voor het overige ongegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikking vernietigd, de boete verminderd tot € 250 en de Staat gelast aan belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 12 mei 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.6. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan.

1.7. Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende is sinds 13 maart 2006 houder van een auto, merk en type Kia, Pregio 2.5 TCI DB (dubbele cabine), chassisnummer XXXXX00000X000000 voorzien van een zogenoemd grijs kenteken 00-XX-XX (hierna: de auto). De auto is op 30 juni 2005 in het kentekenregister geregistreerd. Op 7 oktober 2006 is de auto te A gecontroleerd door ambtenaren van de rijksbelastingdienst. Daarbij is geconstateerd dat belanghebbende op die datum gebruik maakte van de openbare weg, namelijk de N 325 in de gemeente A. Tevens is geconstateerd dat een vaste wand tussen de bestuurderscabine (hierna ook wel: de zitruimte) en de laadruimte, het zogenoemde tussenschot, ontbrak.

2.2. Belanghebbende heeft in de eerste week van oktober 2006 het vorenbedoelde tussenschot, dat bij de koop van de auto wel aanwezig was, verwijderd om een bank voor haar zoon te kunnen vervoeren naar zijn studentenkamer in B. Enkele dagen na 7 oktober 2006 heeft belanghebbende het tussenschot weer teruggeplaatst.

2.3. De Inspecteur heeft voor het verschil in belasting tussen het betaalde bestelautotarief voor een motorrijtuig van 1.822 kg, brandstof diesel, en het verschuldigde personenautotarief voor een motorrijtuig van 1.822 kg, brandstof diesel, een naheffingsaanslag opgelegd, berekend over de periode 13 maart 2006 tot en met 29 december 2006. De aldus nageheven belasting bedraagt € 966. Voorts heeft de Inspecteur op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een verzuimboete van € 966 opgelegd.

2.4. Op verzoek van het Hof heeft de Inspecteur een berekening gemaakt van het na te heffen bedrag over een periode van twee weken. De na te heffen belasting bedraagt over de periode 1 oktober 2006 tot en met 13 oktober 2006 een bedrag van € 42.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en of de boete tot de juiste hoogte is opgelegd.

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen partijen hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, alsmede van de uitspraken op bezwaar, van de naheffingsaanslag en van de boetebeschikking. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft de Inspecteur in eerste instantie alsnog betwist dat het juist zou zijn dat het tussenschot alleen voor twee weken verwijderd is geweest.

4.2. Nadat het Hof de Inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting heeft voorgehouden dat hij niet eerder had betwist dat het tussenschot niet langer dan twee weken verwijderd is geweest en dat het - zoals weergegeven in het proces-verbaal van de zitting - niet erg netjes was om pas tijdens het onderzoek ter zitting in hoger beroep dit standpunt in te nemen heeft de Inspecteur zich er alsnog mee accoord verklaard de naheffingsaanslag te verminderen tot twee weken.

4.3. In de brief van 31 mei 2010 en van 3 augustus 2010 van de Inspecteur aan het Hof heeft deze alsnog (en wederom) het standpunt ingenomen dat hij betwist dat het tussenschot niet meer dan twee weken verwijderd is geweest en dat gelet op artikel 33, lid 3, aanhef, onderdeel c van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB 1994)op belanghebbende de last rust te doen blijken dat het tussenschot niet meer dan twee weken verwijderd is geweest.

4.4. Het Hof is van oordeel, dat de Inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting uitdrukkelijk, onvoorwaardelijk en op niet te misverstane wijze heeft toegezegd de naheffingsaanslag te beperken tot twee weken. Voor zover uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, al niet voortvloeit dat de Inspecteur hieraan is gebonden brengt in ieder geval een goede procesorde met zich dat het de Inspecteur niet vrijstaat om na het onderzoek ter zitting terug te komen op zijn eerdere, tijdens het onderzoek ter zitting gedane, toezegging om de naheffingsaanslag te beperken tot twee weken.

4.5. In haar brief van 5 juli 2010 heeft belanghebbende zich

met het door de Inspecteur berekende bedrag van € 42 accoord verklaard.

4.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat de naheffingsaanslag verminderd moet worden tot € 42.

4.7. Met betrekking tot de verzuimboete overweegt het Hof dat gelet op het bepaalde in artikel 33 van de Wet MRB 1994 in samenhang met artikel 37 van de Wet MRB 1994 en artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen terecht een verzuimboete is opgelegd. Met betrekking tot de hoogte van de verzuimboete is het Hof van oordeel dat het in § 34, lid 2 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst opgenomen minimum van € 45 niet passend en geboden is. Een boete van € 25 acht het Hof passend en geboden.

4.8. Uit het vorenstaande volgt dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd, dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 42 en dat de boetebeschikking moet worden verminderd tot € 25.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 respectievelijk € 110 te vergoeden. Het Hof zal de beslissing van de Rechtbank ter zake het bij de Rechtbank betaalde griffierecht dan ook in stand laten.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Ter zitting heeft belanghebbende aangegeven aanspraak te willen maken op vergoeding van de reiskosten voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep. Het Hof stelt deze reiskosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op € 32,70, zulks bepaald op basis van openbaar vervoer 2e klasse.

5. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing inzake het griffierecht;

- vernietigt de uitspraken op de bezwaren tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking;

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 42;

- vermindert de boetebeschikking tot € 25 ;

- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 110 vergoedt;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 32,70.

Aldus gedaan op: 15 oktober 2010 door P. Fortuin, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en J.G. Verseput, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.