Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-09-2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3521, 12/00844

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11-09-2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3521, 12/00844

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11 september 2015
Datum publicatie
21 september 2015
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2015:3521
Zaaknummer
12/00844

Inhoudsindicatie

Loonheffingen. Vanwege de, in belangrijke mate aan de Inspecteur te wijten, lange duur van de procedure heeft het Hof diens verzoek om uitstel van de zitting afgewezen. Poolse en Roemeense arbeidskrachten werken op een door belanghebbende geëxploiteerde scheepswerf in Nederland. Niet in geschil is dat de Poolse arbeidskrachten bij belanghebbende in dienst zijn en dat verzuimd is de loonheffingen af te dragen. Ter zake van de Roemeense arbeidskrachten is de Inspecteur van mening, dat vanaf 1 augustus 2008 sprake is van dienstbetrekkingen tot en inhoudingsplicht bij Roemeense vennootschappen en dat deze werknemers niet in dienst zijn bij belanghebbende. Nu niet is gebleken dat de situatie van de Roemeense arbeidskrachten voorafgaand aan de datum van 1 augustus 2008 anders is geweest, wordt de naheffingsaanslag verminderd tot het bedrag ter zake van de loonbetalingen aan Poolse arbeidskrachten. Voor immateriële schade wordt een vergoeding toegekend.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00844

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V., was gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 20 november 2012, kenmerk AWB 10/4528, inzake het geding tussen:

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor [vestigingsplaats],

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 24 februari 2009, onder aanslagnummer [aanslagnummer] , over de periode 1 februari 2008 tot en met 30 september 2008, een naheffingsaanslag loonheffingen (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd ten bedrage van € 664.188, alsmede bij beschikking een boete van € 332.094, en bij beschikking een bedrag van € 4.881 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken van 3 september 2010 de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 373.551, alsmede de boete tot een bedrag van € 186.775, en de bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente gehandhaafd. Bij afzonderlijke beschikking van 27 augustus 2010 heeft de Inspecteur de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd tot een bedrag van € 2.745.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 298. In verband met het ingestelde beroep heeft de Inspecteur de Rechtbank bij brief van 12 augustus 2011 medegedeeld de opgelegde boete te vernietigen.

De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het de boete betreft, het beroep voor het overige ongegrond verklaard en vergoeding van proceskosten en griffierecht gelast.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende een griffierecht geheven van € 466. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting, die gepland stond op 26 november 2013, doch vanwege ziekte van de Inspecteur op diens verzoek is verdaagd, de hierna onder 2.12 vermelde brochure ingediend. Deze brochure is in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Op 15 januari 2015 is bij het Hof een brief van de Inspecteur binnengekomen, waarin hij verzoekt om uitstel van het hierna genoemde onderzoek ter zitting. Het Hof heeft het verzoek op de hierna onder 4.2 tot en met 4.4 vermelde gronden afgewezen.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 6 februari 2015 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, de heer [A] , advocaat te [B] , als gemachtigde van de curator van belanghebbende, de heer [C] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [D] en [E] .

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van het onderzoek ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is op 28 mei 2008 ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Limburg (hierna: het Handelsregister). In het Handelsregister is als datum van vestiging 1 februari 2008 vermeld, alsmede dat belanghebbende de onderneming sinds 22 mei 2008 drijft. De bedrijfsactiviteiten zijn daarin omschreven als het bouwen, verbouwen en repareren van schepen, alsmede het in voorraad hebben van schepen en de exploitatie van binnenschepen. Blijkens de inschrijving in het Handelsregister zijn bij belanghebbende twee personen werkzaam. Per 22 mei 2008 is de heer [F] , geboren 20 mei 1954, woonachtig te [G] , Luxemburg (hierna: [F] ), als directeur van belanghebbende ingeschreven en sinds 16 juni 2009 staat [F] als enig aandeelhouder geregistreerd. Bij rechterlijke uitspraak van 31 december 2009 is belanghebbende in staat van faillissement verklaard.

2.2.

Belanghebbende heeft in 2008 activiteiten ontplooid in het kader van de scheepsbouw en reparatie van schepen en heeft daartoe diverse contracten met afnemers afgesloten. Voor deze activiteiten maakt belanghebbende gebruik van de [H] gelegen aan de [a-straat] 8-10 te [vestigingsplaats] (hierna: [H] en/of de werf). Belanghebbende huurt, met beding tot koop, met ingang van 1 februari 2008 [H] van de eigenaar, [J] B.V. (hierna: [J] ). Een huurkoopcontract was nog niet afgesloten. [H] bestaat uit kantoorruimten, werkplaatsen, kranen en dokken. [J] stelde verder materialen beschikbaar die nodig zijn bij de bouw en reparatie van schepen, zoals verrijdbare kranen, lasapparaten, opslagtanks en zuurstof-, luchtdruk- en gasleidingen.

2.3.

Belanghebbende heeft bij de aanvang van haar werkzaamheden op [H] een bestaande organisatie van de vorige exploitant [K] B.V. i.o. (hierna: [K] ) aangetroffen. Belanghebbende heeft het bedrijf van [K] , inclusief een deel van de lopende projecten, voortgezet. Bij overeenkomst van 28 maart 2008 is [F] met [K] overeengekomen, dat belanghebbende vanwege de overname van lopende projecten een bedrag van € 62.743 aan [K] zou betalen. Uiteindelijk is in totaal een bedrag van € 67.000 aan [K] betaald (hierna: [K] -betaling).

2.4.

Voor het uitvoeren van de werkzaamheden heeft belanghebbende gebruik gemaakt van buitenlandse arbeidskrachten, afkomstig uit Polen en Roemenië. Het betreft (onder meer) ingenieurs, lassers, monteurs, schilders, hijskraanchauffeurs, metaal- en plaatbewerkers.

Van de Poolse arbeiders staat vast dat deze in dienstbetrekking waren bij belanghebbende.

2.5.

Op 16 mei 2008 heeft een starters- en kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen de Inspecteur en [F] . [F] heeft tijdens dat gesprek onder meer verklaard dat:

- [belanghebbende] B.V. i.o. op 1 februari 2008 is gestart en dat de activiteiten plaatsvinden met ingang van 12 april 2008;

-hij in het verleden schipper op de binnenvaart was;

-hij de werf [H] vanaf 1 februari 2008 huurt met beding tot koop over drie jaar;

-vanwege moeizame onderhandelingen met [J] het contract nog niet concreet is;

-dat hij sinds één jaar ook een werf gelegen in [L] huurt/exploiteert;

-op de werf [H] wordt gewerkt met Poolse en Roemeense werklieden;

-er momenteel nog een vacature voor een secretaresse is;

-er diverse onderhandelingen lopen tussen hem, het CWI, de Belastingdienst/kantoor Buitenland te Heerlen en de Belastingdienst/kantoor Arnhem;

-hij contact heeft gelegd met de heer [M] van [N] SA (onderdeel van [P] SA) gevestigd te [Q] , Luxemburg (hierna: [M] ). [M] is aangetrokken voor de werving en de verdere administratieve afhandeling van de Roemeense werklieden. [M] brengt € 16 per uur per Roemeense arbeider in rekening. Verder zorgt [M] voor de huisvesting en het vervoer van deze werklieden. Concreet houdt dit in dat alle fiscale verplichtingen worden afgedragen in het woonland Roemenië;

-hij op dinsdag en vrijdag aanspreekpunt op de werf is en op de overige dagen de heren [R] , [S] en/of [T] ;

-hij zal zorgen dat de Poolse medewerkers op de loonlijst worden geplaatst en hij gaat zorgdragen voor E101-verklaringen.

2.6.1.

Op 5 maart 2008, 25 juni 2008, 18 augustus 2008 en 28 oktober 2008 zijn er namens de Inspecteur op [H] bedrijfsbezoeken, zogenoemde waarnemingen ter plaatse (hierna: WTP’s) uitgevoerd. Bij de WTP’s is gesproken met op [H] aanwezige (buitenlandse) arbeidskrachten. Bij elke WTP is vastgelegd het aantal en de namen van Poolse en Roemeense arbeidskrachten, dan aangetroffen op [H] , alsmede welke buitenlandse arbeidskrachten zijn gehoord. Van de WTP’s en de daarbij afgenomen verklaringen van de buitenlandse arbeidskrachten is in het rapport inzake de ingestelde WTP-onderzoeken bij belanghebbende verslag gedaan (hierna: het WTP-rapport). Bij het WTP-rapport is een bijlage gevoegd met de vastlegging van de tijdens de WTP’s aangetroffen en gehoorde arbeidskrachten. In het WTP-rapport is over de WTP’s het navolgende opgenomen.

2.6.2.

Bij de WTP van 5 maart 2008 is de heer [V] in een kantoorruimte aangetroffen. Hij verklaarde dat [F] op 11 februari 2008 op de werf was gekomen met de mededeling, dat hij vanaf nu de baas was op [H] . Op het moment van de WTP werkten tussen de vijftig en vijfenvijftig Poolse of Roemeense arbeidskrachten op de werf.

2.6.3.

Bij de WTP van 25 juni 2008 werd in het kantoor van belanghebbende mevrouw [W] (hierna: [W] ) aangetroffen. In de personeelsadministratie bevond zich een kopie van haar paspoort, haar arbeidscontract en een loonbelastingverklaring. [W] werkt vanaf 1 juni 2008 fulltime als secretaresse en heeft verklaard, dat:

- [F] de werf met ingang van 1 april 2008 heeft overgenomen en zij niet op de hoogte van de historie van [H] is;

-zij alle voorkomende administratieve handelingen verricht binnen de werf, zoals het aannemen van de telefoon, het uitwerken van offertes, het opmaken van facturen, het fungeren als vraagbaak voor de werknemers op de werf;

-zij voor vragen terecht kan bij de heren [R] en/of [S] , deze heren precies weten wat er gedaan moet worden en door wie, en beide heren pas ‘s middags aanwezig zijn;

-er zeventien Polen in dienstbetrekking zijn, zij niet weet hoeveel Polen momenteel op de werf aanwezig zijn, er geen werkrooster of werkplanning is, de Polen zijn aangetrokken door [F] , er op 25 juni 2008 alleen Poolse werknemers werkzaam zijn en dat eerder ook Roemeense arbeiders werkzaam waren.

Met behulp van een tolk zijn enkele Poolse werknemers geïnterviewd. Uit de verklaringen kwam onder meer naar voren, dat de Roemeense medewerkers tijdelijk afwezig waren in verband met vakantie. Gelet op de opdrachten en het werkaanbod was het onmogelijk, aldus deze verklaringen, het werk te klaren met de aanwezige zeventien Poolse medewerkers.

2.6.4.

Bij de WTP van 18 augustus 2008 bleek uit de aangetroffen werkroosters, dat er twaalf Polen werkzaam waren en twintig Roemenen, afkomstig van [X] (hierna: [X] ) en vierendertig Roemenen, afkomstig van [Y] (hierna: [Y] ). Van het bij deze WTP met [F] gevoerde gesprek is een ambtsedige verklaring opgesteld, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

De Roemenen:

[F] vertelt ons dat er problemen zijn met het CWI. Enerzijds zijn de werklieden die hij nodig heeft in brede omtrek NIET te vinden maar anderzijds weigert het CWI arbeidsvergunningen af te geven. Er is sprake van ontmoedigend beleid. [F] verklaart dat hij geen kant op kan. (…) [F] geeft dan toe dat ze niet op de loonlijst staan en dat ze eigenlijk ook géén zelfstandigen zijn. Maar hij kan geen kant op. Er zijn immers geen arbeidsvergunningen. (…)”.

2.6.5.

Tijdens de WTP van 15 oktober 2008 is gesproken met [W] . Geconstateerd is dat in de administratie is vastgelegd, dat twaalf Polen werkzaam zijn, alsmede twintig Roemenen, afkomstig van [X] en dertig Roemenen, afkomstig van [Y] .

2.6.6.

De WTP van 28 oktober 2008 is door de Belastingdienst ingesteld tezamen met de Arbeidsinspectie, de gemeente [vestigingsplaats] , de Politie en de Brandweer. Tijdens deze WTP is onder meer gesproken met [F] , [W] , de heer [Z] (hierna: [Z] ) en de heer [AA] van [BB] te [CC] (hierna: [AA] ), het bedrijf dat de loonadministratie voor belanghebbende voert. [AA] heeft namens [X] op 10 september 2008 voor twaalf Roemeense werklieden een aanvraag voor notificatie voor de periode 1 september 2008 tot en met 31 december 2009 ingediend. Geconstateerd wordt dat op 28 oktober 2008 twintig Roemeense arbeidskrachten via [X] werkzaam zijn op [H] . Vijftien Roemeense werklieden hebben een verklaring afgelegd. [Z] (tussenpersoon voor [Y] ) heeft de volgende verklaring afgelegd:

“Ik werk voor de firma [DD] te Luxemburg. Wij regelen bijvoorbeeld de slaapgelegenheid voor de mensen die werken bij de firma [Y] . Ook de notificatie voor de firma [Y] hebben wij geregeld. Wij regelen ook de sofinummers voor de firma [Y] . De heer [AA] en [F] ken ik, maar ik doe geen zaken met hun. Ik kom hier op de scheepswerf om de 2 á 3 dagen. Wij factureren richting [Y] . Dhr. [M] is een collega van mij. De andere Roemeense mensen hier op de scheepswerf ken ik niet. U vraagt mij of ik ooit in Roemenië ben geweest. Nee, daar ben ik nog nooit geweest.

Ons bedrijf doet ook in beleggingen. De naam van het bedrijf is [DD] , dat staat voor [FF] , [GG] en [HH] . Het bedrijf is in [EE] te Luxemburg gevestigd, (…), maar dit bedrijf bestaat sinds 2 jaar. Ik werk er nu 4 á 5 maanden. (…)”.

2.7.1.

Op 9 juli 2008 heeft de Inspecteur met [F] en zijn advocaat een gesprek gehad. Daarbij is onder meer afgesproken dat vóór 18 juli 2008 aangiften loonheffingen zouden worden ingediend. Op 23 juli 2008 zijn de aangiften loonheffingen gedaan voor de maanden april 2008 en mei 2008 tot nihil, en voor de maand juni 2008 naar een bedrag van € 4.449. Op 30 september 2008 heeft belanghebbende voor deze drie tijdvakken gecorrigeerde aangiften betreffende de Poolse arbeiders ingediend, waarna de Inspecteur aan belanghebbende de navolgende naheffingsaanslagen heeft opgelegd:

Tijdvak Loonheffingen Verzuimboete

April 2008 € 5.643

Mei 2008 € 11.791

Juni 2008 € 7.101 € 71.

2.7.2.

Over de tijdvakken juli 2008 tot en met september 2008 zijn aan belanghebbende, vanwege het niet doen van aangifte, voor elk van deze tijdvakken naheffingsaanslagen loonheffingen en bij beschikking boetes, vanwege betalingsverzuimen, opgelegd:

Tijdvak Loonheffingen Verzuimboete

Juli 2008 € 16.000 € 160

Juli 2008 € 23.131 € 231

Augustus 2008 € 24.000 € 240

September 2008 € 20.724 € 207.

2.8.

Bij brief van 27 november 2008 heeft de Inspecteur belanghebbende het WTP-rapport toegezonden. In het WTP-rapport is opgenomen dat in de periode van 1 februari 2008 tot en met 30 september 2008 op [H] Poolse en Roemeense arbeidskrachten in dienstbetrekking bij belanghebbende hebben gewerkt, dat met betrekking tot de Poolse en Roemeense arbeidskrachten geen afschriften van geldige identiteitsbewijzen aanwezig of bewaard zijn en evenmin loonbelastingverklaringen zijn opgemaakt. Voorts is vermeld dat belanghebbende alleen van de Poolse arbeiders een loonadministratie heeft gevoerd en niet van de Roemeense arbeidskrachten. Verder is opgemerkt dat ter zake van de beloningen voor de werkzaamheden van de Roemeense arbeidskrachten geen loonheffing is ingehouden en afgedragen, noch aangiften loonheffingen zijn ingediend. In het WTP-rapport is vastgelegd dat belanghebbende niet aan de administratieverplichting heeft voldaan; zo zijn er geen agenda’s, afsprakenboeken, werkroosters noch werkplanning ter inzage verstrekt en zijn er geen administratieve vastleggingen met betrekking tot de Roemeense arbeidskrachten.

2.9.

In het WTP-rapport zijn de nettolonen van de Poolse en Roemeense arbeidskrachten over de periode 1 februari tot en met 30 september 2008 berekend op een bedrag van € 537.500 en de naheffing loonbelasting en premie volksverzekeringen, met toepassing van het zogenoemde anoniementarief van artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB), op een bedrag van (108,3% x € 537.500 =) € 582.112. In het WTP-rapport heeft de Inspecteur medegedeeld, en de gronden vermeld van, zijn voornemen een vergrijpboete op te leggen. De onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd en de boete is bepaald op 50%.

2.10.

Bij brief van 5 maart 2009, bij de Inspecteur binnengekomen op 6 maart 2009, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Op 3 april 2009, heeft de Inspecteur van belanghebbende een aanvullende motivering van het bezwaar ontvangen.

Voorts heeft belanghebbende in de bezwaarfase een aantal stukken overgelegd, waaronder

-een arbeidsovereenkomst van de heer [JJ] met [X] en een Engelse vertaling,

-het controlerapport van 15 februari 2010 inzake de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen van [X] over de periode van 2008 en 2009 (hierna: het rapport [X] ),

-het controlerapport van 15 februari 2010 inzake de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen van [Y] over de periode van 2008 en 2009.

2.11.

In het rapport [X] is opgenomen dat deze onderneming op 13 januari 1999 als besloten vennootschap naar Roemeens recht is opgericht en in Roemenië is gevestigd. Voorts is vermeld dat de Belastingdienst het onderzoek bij [X] heeft ingesteld in verband met de bij belanghebbende gehouden WTP’s en dat het is bedoeld voor een inventarisatie van gegevens omtrent de inlening van buitenlandse arbeidskrachten van [X] . Blijkens het rapport [X] zijn opgevraagd de Nederlandse loonadministratie van 2008 en 2009, primaire bescheiden betreffende de opgemaakte loonstaten 2008 en 2009, een overzicht per werknemer per jaar van niet in de loonstaten begrepen vergoedingen en verstrekkingen en de loonbelastingenverklaringen. Genoemde informatie is opgevraagd teneinde een verantwoord beeld te kunnen vormen over de juistheid en volledigheid van de aangiften loonheffingen over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2009. Volgens het rapport [X] is de loonadministratie verstrekt, maar geen loonbelastingverklaringen. Verder is opgemerkt dat [X] in augustus 2008 is gestart met activiteiten in Nederland, bestaande uit het ter beschikking stellen van Roemeense werknemers, voornamelijk lassers en scheepsbouwers, aan belanghebbende, als enige opdrachtgever. Op basis van het onderzoek is geconcludeerd tot het opleggen van naheffingsaanslagen loonheffingen aan [X] . In verband daarmee is medegedeeld, dat de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag wordt gecorrigeerd voor zover die naheffingsaanslag betrekking heeft op personeel van [X] vanaf 1 augustus 2008, zodat van twee keer heffen van loonheffingen in Nederland geen sprake is.

2.12.

Tot de stukken behoort een brochure van het jaarrapport 2009-2010 van de [KK] , gevestigd te [LL] , België, waarin op pagina 62 is opgenomen dat per ultimo maart 2010 [X] , als ondersteunend bedrijf, lid is van de Roemeense [MM] .

2.13.

Bij brief van 24 augustus 2010 is aan belanghebbende de motivering van de uitspraak op bezwaar verstrekt en daarin is opgenomen dat de naheffingsaanslag wordt verminderd vanwege een telfout van vijf weken bij de bepaling van de periode van het naheffingstijdvak en vanwege een correctie van negen weken, waarvoor bij [X] loonheffingen zijn nageheven. Daarbij vermeldt de Inspecteur dat het zogenoemde anoniementarief uitsluitend uit loonbelasting bestaat en dat voor de berekening van de naheffingsaanslag niet relevant is dat de Roemeense arbeidskrachten niet premieplichtig voor de volks- en werknemersverzekeringen zijn.

In deze motivering is de naheffingsaanslag als volgt gespecificeerd en berekend:

-Met betrekking tot de [K] -betaling ter grootte van € 67.000 is niet meer in geschil dat de helft of € 33.500 als loonkosten moet worden aangemerkt, alsmede dat van dit bedrag aan loonkosten de helft of € 16.750 nettoloon van Poolse arbeiders en de andere helft of € 16.750 nettoloon van Roemeense arbeidskrachten betreft. De Inspecteur heeft belanghebbende als inhoudingsplichtig voor het bedrag van € 33.500 aan nettoloon aangemerkt.

(Ter zitting bij het Hof is komen vast te staan, dat ter zake van de [K] -betaling over het loonbedrag van de Poolse arbeidskrachten ten bedrage van € 16.750 terecht is nageheven.)

-Op basis van de bij de WTP’s gegeven verklaringen berekent de Inspecteur voor veertig Roemeense arbeidskrachten over de periode 12april tot en met 31 juli 2008 een nettoloon van 40 (arbeidskrachten) x 16 (weken) x 60 (uur per week) x € 7 (loon per uur) is € 268.800.

-Het totaal aan uitbetaald loon is berekend op € 33.500 plus € 268.800 is € 302.300.

-De verschuldigde loonheffingen heeft de Inspecteur naar het anoniementarief en als eindheffing als volgt berekend:

Loonbelasting en premie volksverzekeringen 108,3% x € 302.300 = € 327.390

Totaal basispremie WAO/IVA/WGA 5,65% € 17.080

Totaal uniforme premie WAO 0,15%

en gedifferentieerde premie WGA en 0,3%, tezamen € 1.380

Totaal premie WW/AWF 8,25% € 24.940

Premie sectorfonds 0,92% € 2.781

Totaal loonheffingen € 373.551.

2.14.

Het door (de gemachtigde van) belanghebbende bij brief van 5 maart 2009 gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur op 6 maart 2009 ontvangen en bij brief van 2 april 2009, bij de Inspecteur binnengekomen op 3 april 2009, is het bezwaar gemotiveerd en verzocht om inzage in het dossier. Op 25 maart 2010 heeft belanghebbende het dossier ingezien en op 19 april 2010 is zij gehoord. Op het daarvan opgemaakte verslag van 20 april 2010 heeft belanghebbende bij brief van 10 mei 2010 gereageerd. Bij brief van 24 augustus 2010 heeft de Inspecteur (aan het postadres van) de curator van belanghebbende de motivering van de uitspraak op bezwaar gezonden en medegedeeld dat de uitspraak op bezwaar binnenkort afzonderlijk wordt toegezonden. Met dagtekening 3 september 2010 is (aan het postadres van) de curator van belanghebbende een kennisgeving “Vermindering loonheffingen” gezonden, waarin de cijfermatige uitwerking van voornoemde motivering van 24 augustus 2010 is opgenomen.

2.15.

Bij brief van 15 oktober 2010, bij de Rechtbank binnengekomen op 18 oktober 2010, heeft belanghebbende beroep ingesteld en de Rechtbank verzocht haar een termijn te gunnen het beroep te motiveren, welke termijn de Rechtbank op 18 november 2010 heeft gesteld. Op verzoek van belanghebbende heeft de Rechtbank deze termijn met twee weken verlengd en de motivering van het beroep is op 1 december 2010 bij de Rechtbank binnengekomen.

Nadat de Inspecteur verweer heeft gevoerd, heeft de Rechtbank van belanghebbende een conclusie van repliek op 4 maart 2011 ontvangen. De mondelinge behandeling van de zaak, aanvankelijk door de Rechtbank gepland voor de zitting van 13 april 2011, heeft de Rechtbank op verzoek van belanghebbende uitgesteld in verband met het horen van getuigen. Het getuigenverhoor heeft vervolgens plaatsgehad op 24 mei 2011, waarvan het proces-verbaal op 7 juni 2011 door de Rechtbank aan partijen is gezonden en aan partijen ieder een termijn voor een reactie van drie weken is verleend. Belanghebbende heeft bij brief van 14 juli 2011, bij de Rechtbank binnengekomen op 15 juli 2011, gereageerd.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft, nadat een verzoek om uitstel van de zitting van de Inspecteur in verband met ziekte van de controlerend ambtenaar is afgewezen, plaatsgehad op de zitting van 9 oktober 2012. De uitspraak is gedaan op 20 november 2012 en is op 27 november 2012 verzonden.

2.16.

Bij brief van 27 december 2012, bij het Hof binnengekomen op 28 december 2012, heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld en verzocht om een termijn voor de motivering van het hoger beroep, welke termijn van vier weken, na belanghebbendes verzoek tot uitstel met twee weken, het Hof heeft verlengd met vier weken tot 22 februari 2013. De motivering is op 21 februari 2013 bij het Hof binnengekomen. Na doorzending van het verweerschrift van de Inspecteur, heeft het Hof op 8 april 2013 belanghebbendes verzoek voor de indiening van een conclusie van repliek ontvangen, welke termijn, op verzoek van belanghebbende, met drie weken tot 31 mei 2013 is verlengd. Het Hof heeft geen conclusie van repliek ontvangen.

De mondelinge behandeling van de zaak, aanvankelijk door het Hof gepland voor de zitting van 26 november 2013, is op verzoek van de Inspecteur uitgesteld en heeft, ondanks een nieuw verzoek om uitstel van de Inspecteur, plaatsgehad op de zitting van 6 februari 2015.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

I Is belanghebbende aan te merken als inhoudingsplichtige met betrekking tot (fictieve) dienstbetrekkingen van de Roemeense arbeidskrachten met belanghebbende ofwel vanwege de omstandigheid dat deze arbeidskrachten zijn te beschouwen als zogenoemde gelijkgestelden in de zin van artikel 4 van de Wet LB?

II Heeft belanghebbende voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ingevolge de artikelen 47 en 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen?

Belanghebbende is van mening, dat de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende terecht aanspraak maakt op vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de onderhavige procedure.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Tijdens het onderzoek ter zitting hebben zij hun standpunten toegelicht.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de boete, de proceskosten en het griffierecht, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur en, naar het Hof begrijpt, tot vermindering van de naheffingsaanslag tot de loonheffingen over een bedrag van € 16.750 nettoloon van Poolse arbeiders, alsmede toekenning van een vergoeding voor immateriële schade en proceskosten in hoger beroep. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, voor wat betreft de naheffingsaanslag, en gegrondverklaring van het hoger beroep voor wat betreft het verzoek om een vergoeding voor immateriële schade.

4 Gronden

5 Beslissing