Ga verder naar content

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20-12-2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5352, 18/00352

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20-12-2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5352, 18/00352

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20 december 2018
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2018:5352
Zaaknummer
18/00352

Inhoudsindicatie

Bevoegdheidskwestie. Hof rekent te traag handelen door het college van B&W aan de Heffingsambtenaar toe. De Heffingsambtenaar dient de verschuldigde dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een beschikking op aanvraag aan belanghebbende te vergoeden. Het hoger beroep is gegrond.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00352

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 19 juni 2018, nummer ROE 18/420, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg,

hierna: de Heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Bij brief van 3 oktober 2015 heeft belanghebbende onder verwijzing naar de Wet

openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) het college van B&W van de gemeente Maasgouw te Maasbracht (hierna: het college) gevraagd om de waarde op basis van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) van het door hem gehuurde pand ( [adres] 30, te [plaats] ) bekend te maken.

1.2.

Bij brieven van 11 november 2015, 8 december 2015 en 14 december 2015

heeft belanghebbende het college in gebreke gesteld.

1.3.

Bij beroepschrift van 22 december 2015 heeft belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit door het college.

1.4.

De Rechtbank (de algemene bestuursrechter) heeft bij uitspraak van 19 februari 2016 (ROE 15/3760) bepaald dat zij onbevoegd is kennis te nemen van het beroep.

Bij verzetschrift van 20 februari 2016 heeft belanghebbende verzet gedaan tegen de

uitspraak van de Rechtbank.

De Rechtbank (de algemene bestuursrechter) heeft het gedane verzet bij uitspraak van 14 december 2016 (eveneens ROE 15/3760) gegrond verklaard, het beroep niet-ontvankelijk verklaard en gelast dat het college aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt.

1.5.

Tegen deze uitspraak op verzet heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de RvS). De RvS heeft het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak op verzet vernietigd voor zover de Rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard en de zaak verwezen naar de Rechtbank (de belastingrechter).

1.6.

De Rechtbank (de belastingrechter) heeft uitspraak gedaan op 19 juni 2018 (ROE 18/420) en heeft het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.

1.7.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 126,00. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten en aan partijen een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft zijn verzoek van 3 oktober 2015 gericht aan het college, onder de omschrijving “Wob-verzoek”. Belanghebbende heeft aan het college gevraagd om aan hem binnen vier weken de WOZ-waarde van de door hem gehuurde woning te berichten. De gemeente Maasgouw heeft bij brief van 18 januari 2016 aan belanghebbende meegedeeld dat zijn verzoek is doorgestuurd naar de Heffingsambtenaar, omdat het post “inzake belastingen” betreft.

2.2.

Bij brief van 19 januari 2016 heeft de Heffingsambtenaar als volgt aan belanghebbende bericht:

“Middels uw faxbericht van 3 oktober 2015 gericht aan de gemeente Maasgouw verzoekt u op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om de WOZ-waarde van 2015 ten aanzien van de onroerende zaak [adres] 30 te [plaats] . Dit faxbericht is eerst heden, 19 januari 2016, bij de BsGW ingekomen ter verdere afhandeling. Mijn excuses voor deze gang van zaken. Uit onderzoek is gebleken dat u op 1 januari 2015 gebruiker was van de onroerende zaak [adres] 30 te [plaats] . Aangezien u belanghebbende bent ten aanzien van onderhavige onroerende zaak kan ik u meedelen dat de waarde van [adres] 30 te [plaats] voor het belastingjaar 2015 € 103.000,- bedraagt.”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Belanghebbende komt in hoger beroep op tegen het niet aan hem verstrekken van een dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit door het college. Volgens belanghebbende heeft het college te lang gewacht met het afhandelen dan wel het doorzenden aan de Heffingsambtenaar van zijn verzoek van 3 oktober 2015 en is het college - hoewel dit niet het bestuursorgaan is in de onderhavige procedure - een dwangsom aan hem verschuldigd vanwege de overschrijding van de beslistermijn.

3.2.

De Heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat hij het Hof (de belastingrechter) niet bevoegd acht een beslissing te nemen over het handelen van het college. In de onderhavige procedure kan volgens de Heffingsambtenaar enkel aan de orde komen of de Heffingsambtenaar in gebreke is geweest om tijdig op het verzoek van belanghebbende te beslissen.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot een gegrond hoger beroep en een veroordeling tot betaling van de dwangsom door het college. De Heffingsambtenaar concludeert tot een kennelijk ongegrond hoger beroep.

4 Gronden

5 Beslissing