Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 09-05-2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1738, 18/00227

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 09-05-2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1738, 18/00227

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
9 mei 2019
Datum publicatie
31 oktober 2019
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2019:1738
Formele relaties
Zaaknummer
18/00227

Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft onder een onjuist betalingskenmerk het te betalen bedrag aan loonheffingen overgemaakt aan de Belastingdienst. Als gevolg daarvan is aan belanghebbende een naheffingsaanslag en een boetebeschikking opgelegd. De Inspecteur heeft na constatering dat het te betalen bedrag wel is ontvangen de naheffingsaanslag ambtshalve verminderd, maar de boetebeschikking in stand gehouden. Bij uitspraak op bezwaar is de boetebeschikking ook vernietigd. Belanghebbende stelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden voor een integrale (proces)kostenvergoeding, gelet op het tegen beter weten in handelen door de Inspecteur. Het Hof oordeelt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een integrale (proces)kostenvergoeding rechtvaardigen.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00227

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] LTD,

gevestigd te [vestigingsplaats] (Groot-Brittannië),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 14 maart 2018, nummer BRE 17/2046 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde aanslag en de beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft ten name van belanghebbende, met dagtekening 22 december 2016 over het tijdvak 1 oktober 2016 tot en met 31 oktober 2016 een naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd naar een bedrag van € 3.349 en bij beschikking een verzuimboete (hierna: de boetebeschikking) van € 100 in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft, na constatering dat het te betalen bedrag volgens de aangifte loonheffingen (hierna: de aangifte) wel is betaald, de naheffingsaanslag ambtshalve verminderd tot nihil bij beschikking van 13 januari 2017, welke beschikking op 3 januari 2017 is vastgesteld. De boetebeschikking is daarbij in stand gelaten. Belanghebbende heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen de boetebeschikking en heeft tevens verzocht om een kostenvergoeding. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de boetebeschikking verminderd tot nihil en geen beslissing omtrent het verzoek om een kostenvergoeding genomen.

1.3.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank een griffierecht geheven van € 333. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd alleen voor zover daarbij geen beslissing is genomen op het verzoek om kostenvergoeding, de Inspecteur veroordeeld in de kosten van belanghebbende in de bezwaarfase ten bedrage van € 125 en de proceskosten in beroepsfase ten bedrage van € 1.002 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 333 vergoedt.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 508. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 11 april 2019 te ‘s‑Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde] , verbonden aan [A] BV te [plaats] , en namens de Inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.6.

De gemachtigde van belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7.

Het Hof heeft aan het eind van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft voor het tijdvak oktober 2016 de aangifte ingediend naar een te betalen bedrag. Belanghebbende heeft het te betalen bedrag onder vermelding van een onjuist betalingskenmerk naar de bankrekening van de Belastingdienst overgemaakt binnen de daarvoor geldende termijn.

2.2.

Door het gebruik van een onjuist betalingskenmerk is in eerste instantie niet geconstateerd dat het te betalen bedrag op aangifte tijdig is betaald. Als gevolg daarvan zijn de naheffingsaanslag en de boetebeschikking aan belanghebbende opgelegd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) die een hogere vergoeding dan de forfaitaire rechtvaardigt voor de vergoeding voor de kosten van de bezwaarfase en de proceskostenvergoeding voor beroep en hoger beroep.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, uitsluitend wat betreft de vastgestelde kostenvergoeding en tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, uitsluitend voor zover daarbij is nagelaten een vergoeding van de kosten toe te kennen en verzoekt primair om vergoeding van de werkelijke kosten en subsidiair om een forfaitaire vergoeding met toepassing van wegingsfactor 1. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing