Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24-05-2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1985, 18/00295 en 18/00296

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24-05-2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1985, 18/00295 en 18/00296

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24 mei 2019
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2019:1985
Zaaknummer
18/00295 en 18/00296
Relevante informatie
Algemene wet bestuursrecht 8:119

Inhoudsindicatie

Verzoeker dient een verzoek tot herziening van de uitspraak van het Hof in. De feiten en omstandigheden die verzoeker naar voren brengt, voldoen niet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, lid 1, van de Awb zodat het verzoek tot herziening door het Hof is afgewezen.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00295 en 18/00296

Uitspraak op het verzoek van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: verzoeker,

om herziening als bedoeld in artikel 8:119, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van de uitspraak van dit Hof van 19 november 2015, nummers 14/00709 en 14/00710 op het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 28 mei 2014, nummers AWB 12/2543 en 12/2544, in het geding tussen verzoeker en de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur), betreffende de hierna te vermelden aanslagen en beschikkingen heffingsrente.

1 Ontstaan en loop van het verzoek

1.1.

Aan verzoeker zijn aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 2008 en 2009 opgelegd. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend.

1.2.

Verzoeker heeft tegen deze aanslagen en beschikkingen bezwaar, beroep en hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft op 19 november 2015, nummers 14/00709 en 14/00710 uitspraak gedaan. Verzoeker heeft hiertegen vervolgens beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 12 augustus 2016, nummer 16/00004, ECLI:NL:HR:2016:1908, het beroep in cassatie met toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie ongegrond verklaard.

1.3.

Verzoeker heeft het Hof bij brief van 29 mei 2018, ingekomen op 30 mei 2018, verzocht om herziening van de uitspraak van het Hof van 19 november 2015.

1.4.

Ter zake van dit verzoek heeft de griffier van verzoeker een griffierecht geheven van € 126 voor zaaknummer 18/00295. De Inspecteur heeft het verzoek om herziening bij verweerschrift bestreden.

1.5.

De Inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof (ontvangen op 19 februari 2019). Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. De wederpartij heeft op 8 maart 2019 een reactie gestuurd op de pleitnota.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord verzoeker alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Gronden

2.1.

Het Hof heeft op 19 november 2015 als volgt beslist op de volgende in geschil zijnde vragen:

“3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Vormt de onderverhuur van de appartementen aan de zonen een bron van inkomen, en zo ja, hoe hoog zijn deze inkomsten?

II. Zijn de kosten die zijn gemoeid met de juridische procedures als gevolg van de openbare verkoop van het pand, aftrekbaar als kosten ter zake van een eigen woning?

(…)

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur en – naar het Hof begrijpt – tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2008 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.489, tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2009 overeenkomstig de ingediende aangifte en tot wijziging van de verliesbeschikking naar een verlies van € 1.223. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Inkomsten uit het houden van kostgangers

4.1.

Belanghebbende stelt dat hij een negatief resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald. Dit resultaat zou – naar het Hof begrijpt – zijn behaald met de verhuur van de appartementen aan de zonen en het verstrekken van diensten, gezamenlijk aangeduid als het houden van kostgangers.

4.2.

De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat – gelet op de behaalde resultaten gedurende een reeks van jaren – geen sprake is van een bron van inkomen, aangezien redelijkerwijs geen voordeel valt te verwachten. Subsidiair bestrijdt de Inspecteur de omvang van de kosten.

4.3.

Het Hof zal veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat sprake is van een bron van inkomen. Het Hof stelt voorop dat op belanghebbende die stelt aanzienlijke kosten te hebben gemaakt, de bewijslast rust van de juistheid van zijn standpunt. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende daarin niet geslaagd. Belanghebbende heeft geen inzicht verstrekt in de door hem gepresenteerde kosten tot een bedrag van € 26.300 respectievelijk € 31.500. Het door belanghebbende bij zijn brief van 9 april 2011 gevoegde overzicht betreffende het jaar 2008 stemt niet overeen met de bedragen die in de aangifte zijn verwerkt. Evenmin heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat de in dat overzicht vermelde kosten betrekking hebben op de verhuur van de appartementen dan wel het houden van kostgangers.

Het Hof is gelet op het voorgaande van oordeel, dat zo al sprake zou zijn van een bron van inkomen, belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het daarbij behaalde resultaat negatief was. Nu de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar geen (positief) resultaat in aanmerking heeft genomen, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de aanslagen bij uitspraak op bezwaar te hoog zijn vastgesteld.

Inkomsten uit eigen woning

4.4.

Belanghebbende heeft in zijn aangiften als inkomsten uit eigen woning een bedrag aangegeven van € 6.475 (negatief). In de brief van 9 april 2011 staat vermeld dat het gaat om kosten die belanghebbende heeft gemaakt ter zake van juridische procedures inzake de betwisting van de openbare verkoop van het pand.

4.5.

Belanghebbende was in de onderhavige jaren geen eigenaar van het pand. Ook overigens ging de waardeverandering van dit pand belanghebbende niet aan. Het Hof is daarom van oordeel dat dit pand geen eigen woning vormde in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Belanghebbende heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van nagekomen kosten die betrekking hebben op de periode dat het pand nog wel een eigen woning vormde. Van aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning kan dan geen sprake zijn.”

2.2.

Op basis van artikel 8:119, lid 1, van de Awb, kan een onherroepelijke uitspraak op verzoek van een partij slechts worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

- hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

- bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

- waren zij bij de desbetreffende rechterlijke instantie eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Uit de tekst van voornoemd artikel volgt dat een verzoek om herziening alleen dan kan slagen indien aan alle drie genoemde voorwaarden is voldaan. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is de mogelijkheid van herziening uitdrukkelijk niet bedoeld om het door de desbetreffende rechterlijke uitspraak afgesloten debat te heropenen.

2.4.

Verzoeker doet het verzoek om herziening steunen op de volgende door hem gestelde feiten of omstandigheden:

Het Hof is volledig voorbij gegaan aan hetgeen is overwogen door de Rechtbank in haar uitspraak van 11 juni 2014 onder punt 2.15, met betrekking tot het “in rechte te beschermen vertrouwen”. De Inspecteur was op de hoogte van het feit dat verzoeker de appartementen op de bovenverdieping van de woning verhuurde c.q. onderverhuurde aan zijn zonen. De kosten die hiermee verbonden waren, heeft de Inspecteur telkens als aftrekposten geaccepteerd waardoor er sprake is van gewekt vertrouwen. In het rapport van controleur [A] van 2012 zou de controleur bepaalde feiten ontkennen en het tegenovergestelde beweren, waardoor de Rechtbank misleid zou zijn. De getuigenverklaring van [B] (controleur die het rapport heeft opgesteld van 2001) heeft aanleiding gegeven tot het indienen van een herzieningsverzoek. Voorts zou de beslissing van het Hof berusten op onjuiste gronden, aangezien het Hof misleid zou zijn door de Inspecteur die beweert dat de in aftrek gebrachte kosten niet onderbouwd zijn en betwist dat er sprake zou zijn van een bewuste fiscale standpuntbepaling. Verzoeker verwijst daarbij naar het boekenonderzoek waaruit zou volgen dat de kostenposten overeenkomen met de facturen en andere bescheiden.

Verzoeker merkt op dat het proces tegen zijn ex-werkgever Rijkswaterstaat niet als grief wordt aangevoerd, aangezien het niet in direct verband staat tot de zaak.

2.5.

Anders dan de Inspecteur is het Hof van oordeel dat het onderhavige verzoek - dat niet ziet op een opgelegde boete - tijdig is ingediend. Een van de gestelde nova betreft namelijk een getuigenverklaring van [B] waarvan belanghebbende onweersproken heeft gesteld dat deze hem in maart/april 2018 heeft bereikt. Het verzoek is binnen één jaar na ontvangst van voormelde getuigenverklaring ontvangen zodat het tijdig is gedaan (HR 20 februari 2015, nr. 14/05686,ECLI:NL:HR:2015:357).

2.6.

Het Hof wijst het verzoek om herziening af en overweegt daarover het volgende.

2.6.1.

De feiten waar verzoeker het verzoek op baseert konden redelijkerwijs bekend zijn vóór de uitspraak van het Hof van 19 november 2015. Verzoeker verwijst naar het rapport van controleur [A] van 2012. De Rechtbank zou zijn misleid doordat [A] bepaalde feiten ontkent. Dit rapport kan niet worden aangemerkt als novum, aangezien het rapport reeds bekend was bij het Hof. Voorts stelt verzoeker dat de Inspecteur het Hof heeft misleid door te stellen dat de kosten niet zouden zijn onderbouwd. De kosten waren volgens verzoeker vóór de uitspraak van het Hof reeds bekend. De stelling van verzoeker dat de kosten nimmer ter discussie hebben gestaan is onjuist. Het Hof heeft immers geoordeeld dat verzoeker deze kosten niet inzichtelijk heeft kunnen maken. Evenmin heeft verzoeker aannemelijk gemaakt dat de kosten betrekking hebben op de verhuur van de appartementen en het houden van kostgangers. Daarom heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De getuigenverklaring van [B] is door verzoeker ter zitting overgelegd met de mededeling van [C] dat deze verklaring in maart/april 2018 aan verzoeker ter beschikking is gesteld. Deze getuigenverklaring is op 15 januari 2007 bij de kantonrechter te Heerlen afgelegd. Het Hof is van oordeel dat dit stuk niet kan worden aangemerkt als een novum. Verzoeker heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die, indien deze eerder bij het Hof bekend zouden zijn, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Het Hof merkt op dat de verzoeker destijds in hoger beroep zijn grief omtrent het gewekt vertrouwen niet aan de orde heeft gesteld. Mocht het Hof volgens verzoeker ten onrechte geen beslissing hebben genomen over deze grief, had verzoeker alsnog daarover kunnen klagen bij de Hoge Raad. Het kan niet zo zijn dat daarom een afgesloten debat wordt heropend, nadat aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot de gewenste uitspraak hebben geleid.

2.6.2.

Gelet op het bovenstaande wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor het honoreren van een herzieningsverzoek van artikel 8:119, lid 1, van de Awb.

Slotsom

2.7.

Gelet op het bovenstaande moet het verzoek om herziening van de uitspraak van het Hof van 19 november 2015 worden afgewezen.

Ten aanzien van de proceskosten

2.8.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

3 Beslissing

Het Hof wijst het verzoek tot herziening af.

Aldus gedaan op 24 mei 2019 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, A.J. Kromhout en L.B.M. Klein Tank, in tegenwoordigheid van I.H.M. Fluitsma, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.