Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-03-2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:960, 18/00044

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-03-2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:960, 18/00044

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
8 maart 2019
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2019:960
Zaaknummer
18/00044
Relevante informatie
Wet inkomstenbelasting 2001 8.9, Wet inkomstenbelasting 2001 8.9a

Inhoudsindicatie

Belanghebbende woont in Polen en heeft geen inkomen genoten. Haar echtgenoot heeft in 2005 gedurende zes maanden in Nederland gewerkt en is daarna teruggekeerd naar Polen en heeft toen een beperkte Poolse ww-uitkering genoten. De echtgenoot heeft 89% van de totale inkomsten in Nederland genoten. In geschil is de vraag of belanghebbende op grond van het EU-recht recht heeft op uitbetaling van de heffingskorting op grond van art. 8.9 resp. 8.9a Wet IB 2001.

Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Naar nationaal recht heeft belanghebbende geen recht op toepassing van art. 8.9 resp. 8.9a Wet IB 2001 omdat de echtgenoot niet als partner wordt aangemerkt aangezien hij geen kwalificerende buitenlands belastingplichtige is. Het EU-recht verplicht evenmin tot toepassing van deze bepalingen, aangezien het gezinsinkomen niet nagenoeg geheel in Nederland wordt genoten.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00044

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] (Polen),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 16 januari 2018, nummer BRE 16/8273 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen van nihil. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De griffier van de Rechtbank heeft een griffierecht geheven van € 46.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. De griffier van het Hof heeft een griffierecht geheven van € 126.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 7 februari 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Belanghebbende noch de Inspecteur is aldaar verschenen. Beide partijen hebben het Hof vóór de zitting bericht niet aanwezig te zullen zijn.

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1.

Belanghebbende is gehuwd en woonde in 2015 in Polen. Zij heeft in dat jaar geen in Nederland belastbaar inkomen genoten.

2.2.

Haar echtgenoot heeft tot 30 juni 2015 in Nederland in loondienst gewerkt en in dat kader een belastbaar loon van € 7.407 genoten. Tot die datum was hij verzekerd voor de volksverzekeringen. Hij is op 30 juni 2015 naar Polen vertrokken en heeft daar de rest van het jaar gewoond. De echtgenoot heeft in de tijd dat hij in 2015 in Polen woonde een werkloosheidsuitkering naar Pools recht genoten van (omgerekend) € 870.

2.3.

Op 14 mei 2016 heeft belanghebbende voor het jaar 2015 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen van nihil. In de aangifte heeft zij aangegeven dat zij geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is in de zin van artikel 7.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

2.4.

Met dagtekening 10 juni 2016 heeft de Inspecteur een definitieve aanslag IB/PVV voor 2015 opgelegd conform de door belanghebbende ingediende aangifte. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het bezwaar strekt er toe dat aan belanghebbende de algemene heffingskorting wordt uitbetaald. De Inspecteur heeft het bezwaar afgewezen.

In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast:

2.5.

De echtgenoot heeft in Polen aangifte gedaan van zijn wereldinkomen met het formulier PIT-36. Het totale wereldinkomen bedraagt 34.776 zloty. De daarover in Polen verschuldigde belasting (in zloty) bedraagt:

Verschuldigd volgens tabel

5.147,64

Af: aftrek elders belast

-/- 4.587,15

Verschuldigd vóór aftrekposten

560,49

Af: aftrek ziektekostenpremie

293,47

Af: belastingaftrek

0,16

Totale aftrek

-/- 293,63

Op aanslag verschuldigd (afgerond)

267,00

Af: verrekende voorheffing

-/- 158,00

Per saldo op aanslag verschuldigd

109,00

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Heeft belanghebbende recht op uitbetaling van de heffingskorting?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot uitbetaling van de gecombineerde heffingskorting over het gehele jaar dan wel over een periode van zes maanden. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing