Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16-01-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:125, 16/03512 en 16/03513

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16-01-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:125, 16/03512 en 16/03513

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16 januari 2020
Datum publicatie
6 april 2020
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2020:125
Formele relaties
Zaaknummer
16/03512 en 16/03513

Inhoudsindicatie

Naheffing accijns; Wet op de accijns, Verordening EG 684/2009 van 24 juli 2009, Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008.

Het Hof acht de vaste jurisprudentie onder de (oude) Accijnsrichtlijn (92/12/EEG van 25 februari 1992) dat een vals of vervalst bewijs van ontvangst van accijnsgoederen niet kan worden aangemerkt als een ontvangstbewijs, van toepassing op de Richtlijn 2008/118/EG en de Wet op de accijns. Verder is de verzending van accijnsgoederen onder schorsing van accijns niet geëindigd nadat berichten van ontvangst (via het Excise Movement and Control System, EMCS) zijn ontvangen. Aan de registratie in EMCS van ontvangstberichten kan belanghebbende niet het vertrouwen ontlenen dat accijns niet zou worden nageheven. Op belanghebbende rust als vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats (AGP) ter zake van de heffing van accijns een risicoaansprakelijkheid. Voor de zendingen aan de Shurgard-opslagruimte in Zweden heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de accijnsgoederen hun bestemming niet hebben bereikt en is de naheffing voor uitslag uit de AGP terecht opgelegd. Belanghebbende heeft niet bewezen dat de onregelmatigheid zich elders heeft voorgedaan. Van de Italiaanse zendingen is de Inspecteur er niet in geslaagd de uitslag tot verbruik te bewijzen. Toen, volgens de ontvangstberichten in EMCS, afleveringen van accijnsgoederen in het belastingentrepot van de Italiaanse afnemer hebben plaatsgevonden, beschikte deze aldaar over bedrijfsruimte om de goederen in ontvangst te nemen. Dat bij een bezoek door de Italiaanse douaneautoriteiten aan het pakhuis kort na die ontvangst geen goederen zijn aangetroffen en bij de beheerder van het pakhuis geen administratie omtrent accijnsgoederen is aangetroffen, is onvoldoende om accijns na te heffen.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 16/03512 en 16/03513

Uitspraak op de hoger beroepen van

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 15 juni 2016, nummers BRE 14/3790 en 16/133, inzake het geding tussen:

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslagen en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 18 september 2013, onder aanslagnummer [aanslagnummer 1] , over het tijdvak 1 oktober 2012 tot en met 31 december 2012 een naheffingsaanslag accijns (hierna: de naheffingsaanslag 4e kwartaal 2012) opgelegd tot een bedrag van € 583.886,46, alsmede bij beschikking belastingrente (daarop aangeduid als heffingsrente) in rekening gebracht (hierna: de beschikking belastingrente 4e kwartaal 2012) tot een bedrag van € 11.726. Het daartegen gemaakte bezwaar, door de Inspecteur ontvangen op 1 november 2013, heeft de Inspecteur bij zijn uitspraak van 12 mei 2014 afgewezen.

1.1.2.

Belanghebbende is van voornoemde uitspraak op bezwaar bij brief van 19 juni 2014, ontvangen bij de Rechtbank op 20 juni 2014, in beroep gekomen bij de Rechtbank, aldaar geregistreerd met nummer 14/3790. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.2.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 28 mei 2014, onder aanslagnummer [aanslagnummer 2] , over de periode 1 oktober 2012 tot en met 15 oktober 2012 een naheffingsaanslag accijns (hierna: de naheffingsaanslag oktober 2012) opgelegd tot een bedrag van € 463.413,53, alsmede bij beschikking belastingrente (daarop aangeduid als heffingsrente) in rekening gebracht (hierna: de beschikking belastingrente oktober 2012) tot een bedrag van € 19.489. Het daartegen gemaakte bezwaar, door de Inspecteur ontvangen op 3 juli 2014, heeft de Inspecteur bij zijn uitspraak van 9 december 2015 afgewezen.

1.2.2.

Belanghebbende is van voornoemde uitspraak op bezwaar bij brief van 8 januari 2016,

op dezelfde dag bij de Rechtbank ontvangen, in beroep gekomen bij de Rechtbank, aldaar geregistreerd met nummer 16/133. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 334.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen elke van de onder 1.1.2 en 1.2.2 vermelde uitspraken van de Rechtbank heeft belanghebbende, per faxbericht door het Hof ontvangen op 22 juli 2016, hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van deze hoger beroepen heeft de griffier van het Hof van belanghebbende, eenmaal in de zaak met kenmerk 16/03512, een griffierecht geheven van € 503. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de belanghebbende vóór de hierna genoemde zitting bij brief, met bijlagen, van 21 december 2018 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting, waarop de zaken met kenmerk 16/03512 en 16/03513 gezamenlijk, maar niet gevoegd, zijn behandeld, heeft plaatsgehad op 10 januari 2019 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [directeur] , directeur van belanghebbende, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , als gemachtigden van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van het onderzoek ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is gezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is opgericht op [oprichtingsdatum] 2009 en exploiteert een groothandel in alcoholische en non-alcoholische dranken. Belanghebbende beschikt sinds 9 juni 2010 over een vergunning voor een accijnsgoederenplaats (hierna: de AGP).

2.2.1.

Belanghebbende heeft onderstaande (acht) zendingen van goederen onder schorsing van accijns uitgeslagen uit de AGP, waarbij voor elke zending een elektronisch administratie document (hierna: e-AD) is opgemaakt, met als land van bestemming Zweden (hierna: de Zweedse zendingen):

e-AD nummer

datum

accijnsgoederen

kartons

accijnsbelang

[nummer 1]

13-11-2012

Glens Vodka + HC Vodka

1.132

€ 73.657,49

[nummer 2]

14-11-2012

Glens Vodka + WKD Blue

1.300

€ 57.050,45

[nummer 3]

20-11-2012

Lanius Rum + Lanius Vodka

2.432

€ 82.298,88

[nummer 4]

20-11-2012

Smirnoff Vodka

1.144

€ 77.425,92

[nummer 5]

20-11-2012

Glens Vodka

1.492

€ 74.177,28

[nummer 6]

22-11-2012

Smirnoff Vodka

3.250

€ 76.986,00

[nummer 7]

22-11-2012

Smirnoff Vodka

1.092

€ 59.125,25

[nummer 8]

22-11-2012

Glens Vodka

1.398

€ 76.018,17

Totaal accijnsbelang

€ 576.739,44

2.2.2.

Voorafgaande aan een verzending van goederen onder schorsing van accijns heeft belanghebbende in het geautomatiseerde systeem System Exchange Excise Data (hierna: SEED) gecontroleerd of het vergunningsnummer van de ontvanger bestaat en nog actief is.

Van de Zweedse zendingen zijn de vergunning nummers van de ontvanger, [C] te [plaats 1] , Zweden (hierna: [C] ), nummer [nummer 9] , en van het afleveradres, [C] C/O [D] te [plaats 1] , Zweden, nummer [nummer 10] , bij de controleaanvraag van 13 november 2012 door SEED akkoord bevonden.

2.2.3.

Bij brief van 12 februari 2013 heeft de Inspecteur in het kader van spontane uitwisseling van inlichtingen (ingevolge artikel 16 van de Verordening (EG) Nr. 389/2012 van 2 mei 2012 (hierna: de Verordening 389/2012)), informatie ontvangen van de Zweedse douaneautoriteiten. In de brief is opgenomen dat volgens het geautomatiseerde systeem Excise Movement and Control System (hierna: EMCS) belanghebbende in november 2012 acht maal een e-AD heeft opgemaakt voor de verzending van accijnsgoederen onder schorsing van accijns naar [B] (hierna: [B] ) in Zweden. Verder is daarin meegedeeld dat [B] [Hof; handelend onder de naam [C] ] tot 27 november 2012 in het bezit was van een vergunning voor een belastingentrepot met nummer [nummer 9] (zie 2.2.2). Voorts is in de brief van 12 februari 2013 meegedeeld:

“The Swedish Tax Agency’s investigation has shown that (…) [B] did not receive the deliveries in question in his tax warehouse. He or someone else has falsely submitted the reports of receipt.”

2.2.4.

Tijdens het Zweedse onderzoek is navraag gedaan bij de verhuurder van [B] , het ‘self storage’ bedrijf [D] , [plaats 1] , Zweden. In de (beëdigde vertaling van de) brief van 8 januari 2013 is over de opslagruimte (‘storage space’) van [B] vermeld:

“1. The rental agreement for storage space (…) ended on 18 January 2012 when the customer left the space unlocked and empty.

2. (…) entry was not possible after 18 January 2012 when the entry code was cancelled because of the move out.

3. The storage space rented was 2 square metres.

(…)

There was no rent of a storage space before 31 December 2011. (…)”

2.2.5.

Tot de stukken behoren de volgende bescheiden van de Zweedse zendingen:

- de CMR-vrachtbrieven waarmee de goederen zijn vervoerd en welke zijn voorzien van een stempel en (in meerdere gevallen) handtekening van belanghebbende en van een handtekening van de vervoerder;

- bescheiden aan en van de [expediteur 1] te [plaats 3] , Verenigd Koninkrijk (hierna: [expediteur 1] ), [expediteur 2] te [plaats 4] , Zwitserland, [expediteur 3] te [plaats 5] , India, waaronder e-mailberichten van [expediteur 1] van 8 en 16 juli 2013 waarin voor 6 zendingen de aflevering in Zweden, alsmede de ontvangst en betaling worden bevestigd;

- uitdraaien uit EMCS van elke van de onder 2.2.1 genoemde e-AD’s van de verzending door belanghebbende en van het bericht van ontvangst, met de melding dat de ontvanger de accijnsgoederen heeft geaccepteerd (hierna: de Zweedse ontvangstberichten).

2.3.1.

Belanghebbende heeft onderstaande zending onder schorsing van accijns uitgeslagen uit de AGP met als land van bestemming Duitsland en later Italië (hierna: de zending 1701):

e-AD nummer

datum

accijnsgoederen

kartons

accijnsbelang

[nummer 11]

6-12-2012

WKD Blue

1.800

€ 7.147,01

Totaal accijnsbelang

€ 7.147,01

Ter zake van de zending 1701 heeft belanghebbende de bestemming van de betreffende accijnsgoederen willen wijzigen van het belastingentrepot van [importeur G] in Duitsland (hierna: [importeur G] ) in het belastingentrepot van [importeur I] in Italië (hierna: [importeur I] ), omdat [importeur G] , vanwege het ontbreken van de juiste vergunning, die goederen niet onder schorsing van accijns kon accepteren. Belanghebbende kon in eerste instantie de wijziging niet in EMCS invoeren en daarover heeft zij contact gehad met de Douane.

2.3.2.

Op 8 juli 2013 heeft de Inspecteur van de Duitse douaneautoriteiten, ingevolge de Verordening 389/2012, informatie over (de e-AD van) de zending 1701 ontvangen, waarin is meegedeeld dat de zending 1701 niet door [importeur G] in EMCS is afgemeld en dat niet is vastgesteld dat de goederen in het belastingentrepot van [importeur G] in Duitsland zijn opgenomen.

2.3.3.

Bij de onder 1.4 vermelde stukken behoren een uitdraai uit EMCS van 13 december 2012 waarin de order en het transport van de zending 1701 aan [importeur G] zijn geannuleerd door belanghebbende, de handelsbescheiden van deze annulering, afdrukken van een aantal email-berichten van belanghebbende en [importeur G] over de zending 1701, de handelsbescheiden en gegevens uit EMCS van de zending van de accijnsgoederen van de zending 1701 aan [importeur I] en het bericht dat [importeur I] de ontvangst van de goederen heeft geaccepteerd.

2.4.

De Belastingdienst/Douane heeft belanghebbende bij brief van 8 juli 2013 geïnformeerd dat door de Zweedse en de Duitse douaneadministratie is meegedeeld dat de accijnsgoederen die waren verzonden aan [B] (de Zweedse zendingen) en de zending 1701 aan [importeur G] niet zijn ingeslagen in de belastingentrepots van [B] respectievelijk [importeur G] . In dat verband is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van vier weken informatie te verstrekken op grond waarvan het eindigen van de overbrenging van de zendingen naar Zweden en Duitsland overeenkomstig artikel 2b, lid 2, van de Wet op de accijns (hierna: WA) had plaatsgevonden, of de plaats waar de onregelmatigheid had plaatsgevonden aan te tonen. Belanghebbende heeft daarop niet gereageerd, noch enige informatie verstrekt.

De in 2.2.5 vermelde bescheiden zijn deels in beroep en deels in hoger beroep overgelegd.

2.5.

Vervolgens heeft de Belastingdienst/Douane bij belanghebbende een administratieve controle ingesteld naar de ingediende aangiften accijns en de naleving van de voorschriften in haar vergunning AGP in de periode 1 oktober 2012 tot en met 31 maart 2013. Het van deze controle opgemaakte rapport van 4 september 2013 (hierna: het rapport) is aan belanghebbende gezonden. Naar aanleiding van het rapport is de naheffingsaanslag 4e kwartaal 2012 opgelegd waarbij voor de zendingen voor alle voornoemde negen e-AD’s (de Zweedse zendingen en de zending 1701) van belanghebbende accijns is nageheven.

2.6.1.

In het rapport is melding gemaakt van een aantal door de Inspecteur aan douaneautoriteiten van verschillende landen uitgezonden verzoeken tot wederzijdse bijstand. Eén van die verzoeken is op 21 mei 2013 gedaan aan de Italiaanse douaneautoriteiten over acht zendingen van accijnsgoederen door belanghebbende met als geadresseerde [E] , [adres 1] , te [plaats 2] , Italië (hierna: [E] ).

2.6.2.

Belanghebbende heeft onderstaande (acht) zendingen van goederen onder schorsing van accijns uitgeslagen uit de AGP, waarbij voor elke zending een e-AD is opgemaakt, met als geadresseerde [E] en als land van bestemming Italië (hierna: de Italiaanse zendingen):

e-AD nummer

datum

accijnsgoederen

kartons

accijnsbelang

[nummer 12]

01-10-2012

Glens Vodka + Aftershock

1.292

€ 74.610,44

[nummer 13]

01-10-2012

Glens Vodka

1.122

€ 69.683,33

[nummer 14]

02-10-2012

(o.a.) Glens Vodka

1.275

€ 62.219,58

[nummer 15]

08-10-2012

Glens Vodka + WKD Blue

1.366

€ 55.185,73

[nummer 16]

09-10-2012

Smirnoff Vodka

3.250

€ 76.986,00

[nummer 17]

11-10-2012

Glens + Smirnoff Vodka

1.296

€ 71.794,94

[nummer 18]

15-10-2012

Glens Vodka + WKD Blue

1.620

€ 45.500,45

[nummer 19]

15-10-2012

WKD Blue

1.872

€ 7.432,89

Totaal accijnsbelang

€ 463.413,36

2.6.3.

De Inspecteur heeft bij brief van 21 januari 2014 van de Italiaanse douaneautoriteiten over de Italiaanse zendingen de volgende informatie ontvangen:

“We make reference to your document (…) of 21/05/2013, in order to communicate you the results of control carried out by the competent customs office.

The goods shipped never arrived at the [E] company’s premises. During the visit carried out on 17/10/2012 the warehouse and offices were empty, and no fiscal documents were held by the warehousekeeper, [F] , having his legal office in [adres 2] – [plaats 2] .

Following the irregularities detected, on 18/10/2012 the license was suspended and, on 22/10/2012, and the crime was notified to the Court Authorities (Procura della Repubblica).”

2.6.4.

Bij brief van 12 maart 2014 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld dat over de Italiaanse zendingen informatie is ontvangen van de Italiaanse douaneautoriteiten, waarin wordt bevestigd dat de Italiaanse zendingen niet zijn ingeslagen in het belastingentrepot van [E] . Belanghebbende is daarbij in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van een maand informatie te verstrekken op grond waarvan het eindigen van de overbrenging van de Italiaanse zendingen overeenkomstig artikel 2b, lid 2, WA heeft plaatsgevonden, of de plaats waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden aan te tonen.

2.6.5.

Tot de stukken behoren in kopie de volgende bescheiden van de Italiaanse zendingen:

- de CMR-vrachtbrieven waarmee de goederen zijn vervoerd en welke zijn voorzien van een bedrijfsstempel en handtekening van belanghebbende en van een handtekening van de vervoerder en in meerdere gevallen in vak 24 een stempel van [E] en een handtekening namens [E] ;

- documenten van de expediteur [expediteur 1] of [expediteur 3] te [plaats 5] , India;

- uitdraaien uit EMCS van elke van de onder 2.6.2 genoemde e-AD van de verzending door belanghebbende en van het ontvangstbericht, met de melding dat de ontvanger de accijnsgoederen heeft geaccepteerd.

2.6.6.

Belanghebbende heeft bij brief, met de onder 2.6.5 vermelde bijlagen, van 14 april 2014 gereageerd op de brief van 12 maart 2014 van de Inspecteur. Deze reactie heeft, door een interne communicatiefout bij de Belastingdienst, de controlemedewerker niet bereikt. Wel is het opleggen van de naheffingsaanslag oktober 2012 in gang gezet en heeft de controlemedewerker bij brief van 6 mei 2014 belanghebbende een toelichting gegeven op deze naheffingsaanslag, waarbij genoemde reactie van 14 april 2014 niet is betrokken. Nadat belanghebbende hierover navraag heeft gedaan, heeft de controlemedewerker de op 14 april 2014 verstrekte informatie alsnog beoordeeld. Daarop is geconcludeerd dat deze informatie niet tot een ander standpunt leidt, waarna de naheffingsaanslag oktober 2012 is opgelegd.

2.6.7.

In verband met het onder 1.2.1 vermelde bezwaarschrift heeft de Inspecteur bij brief van 24 september 2014 nadere informatie bij de Italiaanse douaneautoriteiten laten opvragen. Hierbij is gevraagd of de conclusie dat de goederen niet zijn aangekomen alleen gebaseerd is op het bezoek aan het ‘warehouse’ van [E] op 17 oktober 2012, of dat daarvoor andere gronden zijn. Verder is gevraagd naar wat de ‘warehousekeeper’, [F] (hierna: [F] ) hierover heeft verklaard en wat het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek is.

Ook na verzending van meerdere rappels heeft de Inspecteur geen reactie ontvangen van de Italiaanse douaneautoriteiten op zijn vragen in de brief van 24 september 2014.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Na de verklaring van de Inspecteur ter zitting dat de zending 1701 alsnog door [importeur I] voor ontvangst is afgemeld en de nageheven accijns voor de zending 1701 dient te vervallen, is nog in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag 4e kwartaal 2012, voor wat betreft de Zweedse zendingen, en de naheffingsaanslag oktober 2012 terecht zijn opgelegd.

Belanghebbende is van mening, dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur, alsmede van beide naheffingsaanslagen en beide beschikkingen belastingrente en vergoeding van de immateriële schade, het griffierecht en de bezwaar- en proceskosten. De Inspecteur concludeert, na zijn verklaring ter zitting over de zending 1701, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank in de zaak met nummer 14/3790, gegrondverklaring van het betreffende beroep, vernietiging van zijn uitspraak van 12 mei 2014, vermindering van de naheffingsaanslag 4e kwartaal 2012 tot een bedrag van € 576.739,44 (de Zweedse zendingen) en dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente 4e kwartaal 2012, tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank in de zaak met nummer 16/133 en vergoeding van de immateriële schade tot een, door hem berekend, bedrag van € 1.000.

4 Gronden

5 Beslissing