Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16-01-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:128, 18/00607

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16-01-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:128, 18/00607

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16 januari 2020
Datum publicatie
23 januari 2020
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2020:128
Formele relaties
Zaaknummer
18/00607

Inhoudsindicatie

Belanghebbende schrijft een boek in eigen beheer. In geschil is of de kosten die met zijn activiteiten verband houden in 2014 als ondernemingsverlies in aftrek kunnen worden gebracht. In de jaren 2013 tot en met 2015 werden negatieve resultaten behaald, terwijl op grond van de geringe omzet in 2016 aannemelijk is dat ook in dat jaar een negatief resultaat zal worden behaald. Door het ontbreken van een objectieve voordeelsverwachting vormen de activiteiten van belanghebbende in 2014 geen bron van inkomen. Dientengevolge is het in 2014 behaalde verlies in dat jaar niet aftrekbaar van het inkomen uit werk en woning voor de inkomstenbelasting. Of sprake is van een bron dient per activiteit te worden getoetst. Belanghebbende mocht er niet op vertrouwen dat in 2014 sprake was van een bron. Het enkel volgen van aangiftes door de Inspecteur is daarvoor niet voldoende. Tot slot is geen sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Het hoger beroep is ongegrond.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00607

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 27 september 2018, nummer BRE 17/5081 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst

hierna: de Inspecteur,

Belanghebbende is van mening dat de kosten die hij in 2014 heeft gemaakt met het schrijven en in eigen beheer uitgeven van een boek in aftrek moeten komen als ondernemingsverlies. In de jaren 2013 tot en met 2015 werden negatieve resultaten behaald. Gezien de geringe omzet in 2016, is aannemelijk dat ook in dat jaar een negatief resultaat is behaald. Gelet op het ontbreken van een objectieve verwachting van voordeel is ten aanzien van de in geschil zijnde activiteiten geen sprake van een bron van inkomen. Daardoor is het in 2014 behaalde verlies niet aftrekbaar van het inkomen uit werk en woning voor de inkomstenbelasting. De Inspecteur heeft daarbij de beginselen van behoorlijk bestuur niet geschonden. Van willekeur is geen sprake omdat het antwoord op de vraag of sprake is van een bron voor de inkomstenbelasting per activiteit dient te worden getoetst. Ook mocht er niet op worden vertrouwd dat in 2014 sprake was van een bron. Het enkel volgen van aangiftes door de Inspecteur is daarvoor niet voldoende. Een eerder boekenonderzoek wijst eerder op het tegenovergestelde. Tot slot is geen sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Het hoger beroep wordt derhalve ongegrond verklaard.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.631 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.704, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 126. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de Inspecteur.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 3 oktober 2019 te ‘s-Hertogenbosch.

1.6.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.7.

Tijdens deze zitting heeft belanghebbende een mondeling verzoek tot wraking van de raadsheren van de zittingscombinatie gedaan. De voorzitter heeft daarop het onderzoek ter zitting geschorst. Van de zitting op 3 oktober 2019 is een proces-verbaal opgemaakt.

1.8.

Bij uitspraak van 15 oktober 2019 heeft de wrakingskamer van het Hof het verzoek van belanghebbende tot wraking van de raadsheren Bastiaansen, Pijnenburg en Kromhout afgewezen en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in dit hoger beroep niet in behandeling wordt genomen.

1.9.

Op 30 oktober 2019 heeft het Hof het onderzoek ter zitting hervat.

1.10.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 3] . Van de zitting op 30 oktober 2019 is een proces-verbaal opgemaakt.

1.11.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.12.

Op 19 december 2019 en 6 januari 2020 zijn bij het Hof brieven van belanghebbende binnengekomen, waarin hij verzoekt zijn hoger beroep te mogen aanvullen met nieuwe argumenten. Het Hof heeft de verzoeken op de hierna onder 4.1 vermelde gronden afgewezen.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft aanvankelijk onder de naam ‘ [bedrijf 1] ’ een onderneming uitgeoefend waarvan de activiteiten bestaan uit het ontwikkelen en produceren van audiocomponenten en het verspreiden van audiokennis. Deze activiteiten heeft belanghebbende in 2013 beëindigd.

2.2.

Vervolgens is belanghebbende in 2013 onder de naam ‘ [A] ’ nieuwe activiteiten gestart. De bedrijfsomschrijving bij de Kamer van Koophandel is de volgende: . ‘Verspreiden van inzichten in het onvermogen van de mens om te leven naar de eigen liefdevolle intentie. Dit d.m.v. een website, facebook, lezingen en contact met media als kranten, tijdschriften, radio en tv’. Belanghebbende heeft in dit verband een boek geschreven en in eigen beheer uitgebracht.

2.3.

De aangiften IB/PVV van belanghebbende over de jaren 2006 tot en met 2015 laten de volgende gegevens zien:

Jaar

Omzet

Winst

(voor ondernemersaftrek)

2006

€ 336

-/- € 807

2007

€ 18.980

-/- € 864

2008

€ 19.155

€ 4.055

2009

€ 6.348

-/- € 11.884

2010

€ 11.345

-/- € 15.073

2011

€ 1.368

-/- € 15.012

2012

€ 2.700

-/- € 19.240

2013

€ 0

-/- € 12.130

2014

€ 94

-/- € 25.345

2015

€ 275

-/- € 14.914

2.4.

In 2016 heeft belanghebbende geen winst uit onderneming en resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven. Uit de aangifte omzetbelasting over dat jaar blijkt een omzet van € 60, terwijl belanghebbende daarin aanspraak maakt op aftrek van voorbelasting van € 1.866.

2.5.

In 2013 heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden naar de aanvaardbaarheid van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2011. In de conclusie van de rapportage van dit boekenonderzoek staat het volgende:

‘Tijdens het bezoek is mij gebleken dat u op dit moment deel neemt aan het economisch verkeer. (…) Ik heb daarnaast vastgesteld dat er op dit moment nog sprake is van “resultaat overige werkzaamheden” voor de inkomstenbelasting. De resultaten over 2010 en 2011 en 2012 zijn negatief. U stelt dat u op het moment van het onderzoek bezig bent met aquisitie te plegen voor uw activiteiten rondom uw visie “ [A] ”. (…) U wilt proberen in 2013 een positief resultaat te verwezenlijken. Ik geef u het voordeel van de twijfel en ga ermee akkoord dat u over het jaar 2013 uw opbrengsten minus uw kosten kunt aanmerken als “resultaat overige werkzaamheden”. Mocht het jaar 2013 niet tot een positief resultaat leiden, dan zal de onderneming per 31 december 2013 worden gestaakt.’

2.6.

In zijn aangifte IB/PVV over 2014 heeft belanghebbende een belastbare winst uit onderneming van -/- € 21.797 aangegeven. Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV over 2014 heeft de Inspecteur dit verlies gecorrigeerd omdat de activiteiten van belanghebbende volgens de Inspecteur geen bron van inkomen voor toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 vormen. Het bezwaar daartegen van belanghebbende is door de Inspecteur afgewezen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2014 naar een juist bedrag heeft opgelegd. Meer specifiek gaat het geschil over het antwoord op de volgende vragen:

1. Vormen de activiteiten van belanghebbende in het jaar 2014 een bron van inkomen?

2. Is sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, het proces-verbaal van de zitting van 3 oktober 2019 en het proces-verbaal van de zitting van 30 oktober 2019.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag IB/PVV 2014. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing