Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-05-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1624, 18/00717

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-05-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1624, 18/00717

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28 mei 2020
Datum publicatie
2 juni 2020
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2020:1624
Formele relaties
Zaaknummer
18/00717

Inhoudsindicatie

Belanghebbende is terecht niet-ontvankelijk in het hoger beroep verklaard, omdat het hoger beroepschrift niet tijdig is ingediend. Verzet ongegrond.

Uitspraak

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 18/00717

Schriftelijke uitspraak op het verzet van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van het hof als bedoeld in artikel 8:54, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van 10 april 2019 (hierna: de uitspraak) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 oktober 2018, nummer BRE 17/5522, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

betreffende de naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011, aanslagnummer [aanslagnummer] , alsmede de gelijktijdig bij beschikking opgelegde verzuimboete en de in rekening gebrachte heffingsrente.

Er heeft geen onderzoek ter zitting plaatsgevonden.

Belanghebbende heeft niet gevraagd om in de gelegenheid te worden gesteld om te worden gehoord en het hof ziet daarvoor ook geen aanleiding.

De gronden

1. Bij de uitspraak van 10 april 2019 is belanghebbende niet-ontvankelijk in het hoger beroep verklaard op grond van de overweging dat het hoger beroepschrift niet tijdig is ingediend.

2. Belanghebbende is tegen deze uitspraak tijdig in verzet gekomen.

3. De rechtbank heeft op 11 oktober 2018 uitspraak gedaan en heeft deze uitspraak op dinsdag 23 oktober 2018 aangetekend aan partijen verzonden.

4. Op grond van de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een (hoger) beroepschrift zes weken. Deze termijn begint op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. In artikel 8:79 van de Awb is bepaald dat de griffier van de rechtbank een afschrift van de uitspraak binnen twee weken na dagtekening van de uitspraak zendt aan partijen. Ingevolge artikel 8:37 van de Awb geschiedt deze zending aangetekend.

5. Op grond van artikel 6:9, lid 1, van de Awb is een (hoger) beroepschrift op tijd ingediend indien het voor het einde van de termijn (in dit geval dinsdag 4 december 2018) is ontvangen. Bij verzending per post is een (hoger) beroepschrift nog tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn (dinsdag 4 december 2018) ter post is bezorgd en het bovendien niet later dan een week na afloop van de termijn (dinsdag 11 december 2018) is ontvangen.

6. Belanghebbende heeft, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld door het hof, verklaard dat hij zijn hoger beroepschrift vier weken na de uitspraak door de rechtbank heeft verstuurd. Dit hoger beroepschrift was echter onjuist geadresseerd en is per kerende post retour gekomen. Daarop heeft belanghebbende het hoger beroepschrift opnieuw naar het hof verzonden, ditmaal op 30 november 2018.

7. Het hof stelt vast dat het hoger beroepschrift, dat op 5 december 2019 is gedagtekend (het hof leest dit als 5 december 2018), pas op donderdag 20 december 2018 bij de griffie van het hof is binnengekomen. De poststempel op de enveloppe, waarin het hoger beroepschrift bij het hof is bezorgd, vermeldt de datum 17 december 2018. Het uitgangspunt is dat de poststempel van het postvervoerbedrijf meestal het enige vaststaande gegeven is met betrekking tot het tijdstip van terpostbezorging.1 In verband daarmee moet in gevallen waarin op de enveloppe een leesbare poststempel is geplaatst, als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden genomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door het postvervoerbedrijf is afgestempeld, in dit geval op 17 december 2018. De omstandigheid dat een poststuk op een bepaalde datum is afgestempeld, sluit niet uit dat dit stuk op een eerdere datum ter post is bezorgd.2 Het hof is echter van oordeel dat belanghebbende met alleen de stelling dat het hoger beroepschrift al op 30 november 2018 ter post is bezorgd (onder 6) niet aannemelijk heeft gemaakt dat terpostbezorging van het hoger beroepschrift ook daadwerkelijk op die datum, althans vóór de datum van afstempeling, heeft plaatsgevonden.3 Hierbij heeft het hof ook gelet op de dagtekening van het hoger beroepschrift. Het hoger beroepschrift is bovendien niet uiterlijk een week na afloop van de termijn (op 11 december 2018) ontvangen. De omstandigheid dat het hoger beroepschrift in eerste instantie naar een onjuist postadres is verzonden, dient voor belanghebbendes rekening te komen.4 Dit leidt tot de slotsom dat de hoger beroepstermijn is overschreden.

8. Niet-ontvankelijkheidverklaring kan dan op grond van artikel 6:11 van de Awb alleen nog achterwege blijven, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Belanghebbende heeft geen redenen aangevoerd waaruit kan worden geconcludeerd dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest en dergelijke redenen zijn het hof ook overigens niet gebleken.

9. Gelet op het hiervoor overwogene is belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, zodat het verzet ongegrond moet worden verklaard.

De proceskosten

10. Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

De beslissing

Het hof verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gedaan op 28 mei 2020 door J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303

2500 EH Den Haag

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.