Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-07-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2000, 19/00781 en 19/00782

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 02-07-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2000, 19/00781 en 19/00782

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
2 juli 2020
Datum publicatie
6 juli 2020
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2020:2000
Formele relaties
Zaaknummer
19/00781 en 19/00782
Relevante informatie
Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Parijs, 20-03-1952 [Tekst geldig vanaf 01-11-1998] art. 1

Inhoudsindicatie

Forfaitaire rendementsheffing (box 3) is zowel voor 2016 als 2017 niet in strijd met artikel 1 EP EVRM.

Het hof oordeelt voor het jaar 2016 dat een eventuele strijdigheid door de wetgever moet worden opgelost en dat voor het jaar 2017 op stelselniveau geen sprake is van strijd met artikel 1 EP EVRM. Voor beide jaren is er ook geen sprake van een individuele en buitensporige last.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 19/00781 en 19/00782

Uitspraak op het beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 18 november 2019, nummers BRE 17/7583 en 18/7444, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2016 en 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen beide aanslagen bezwaar gemaakt.

1.3.

De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en het bezwaar telkens ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep uitsluitend gegrond verklaard voor wat betreft de dwangsom voor het jaar 2017 en voor het overige ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De zitting heeft digitaal plaatsgevonden op 10 juni 2020 in ’s-Hertogenbosch. Via een videoverbinding hebben hieraan deelgenomen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur] .

1.7.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.

1.8.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1928. Zij is ongehuwd. In 2016 en 2017 genoot belanghebbende een uitkering op grond van de AOW.

2.2.

Belanghebbende heeft op 8 maart 2017 aangifte IB/PVV 2016 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.444. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen heeft belanghebbende in de aangifte als volgt berekend:

Bank- en spaartegoeden in Nederland

187.495

Totaal bezittingen

187.495

Af: heffingsvrij vermogen

24.437

Grondslag sparen en beleggen

163.058

In de aangifte heeft belanghebbende vermeld dat zij € 48.162 vrijgestelde groene beleggingen bezit.

2.3.

Belanghebbende heeft op 5 maart 2018 aangifte IB/PVV 2017 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.754. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen heeft belanghebbende in de aangifte als volgt berekend:

Bank- en spaartegoeden in Nederland

185.407

Totaal bezittingen

185.407

Af: heffingsvrij vermogen

25.000

Grondslag sparen en beleggen

160.407

In de aangifte heeft belanghebbende vermeld dat zij € 48.469 vrijgestelde groene beleggingen bezit.

2.4.

Belanghebbende heeft in 2016 € 1.499 aan rente-inkomsten genoten en € 262 als opbrengst van de groene beleggingen. In 2017 heeft belanghebbende € 667 aan rente-inkomsten genoten en € 577 als opbrengst van de groene beleggingen.

2.5.

Op 23 juni 2017 is de aanslag IB/PVV 2016 vastgesteld. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.444 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.522. De over het voordeel uit sparen en beleggen verschuldigde IB bedraagt 30% ofwel € 1.956. Belanghebbende heeft recht op een heffingskorting voor groene beleggingen van € 338.

2.6.

Op 1 mei 2018 is de aanslag IB/PVV 2017 vastgesteld. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.754 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.081. De over het voordeel uit sparen en beleggen verschuldigde IB bedraagt 30% ofwel € 1.824. Belanghebbende heeft recht op een heffingskorting voor groene beleggingen van € 340.

2.7.

Belanghebbende heeft op 2 augustus 2017 respectievelijk 11 juni 2018 bezwaar gemaakt tegen beide aanslagen. Bij uitspraken op bezwaar van 16 oktober 2017 respectievelijk 1 oktober 2018 heeft de inspecteur de aanslagen gehandhaafd.

2.8.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 18 november 2019 de beroepen van belanghebbende ongegrond verklaard, met uitzondering van de dwangsom voor het jaar 2017. De rechtbank heeft een dwangsom van € 670 toegekend.

2.9.

De inspecteur heeft de dwangsom inclusief € 15 rente uitbetaald al voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel door de inspecteur geschonden?

II. Dienen de aanslagen te worden verminderd, omdat de forfaitair vastgestelde voordelen uit sparen en beleggen niet haalbaar waren en dus ook niet als genoten kunnen worden aangemerkt?

III. Is sprake van strijd met artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP)?

IV. Heeft belanghebbende recht op een dwangsom wegens het te laat vaststellen van de dwangsom?

V. Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding wegens het te laat vaststellen van een dwangsom?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslagen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen van € 14.444 respectievelijk € 14.754. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing