Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31-12-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4111, 18/00612

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31-12-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4111, 18/00612

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31 december 2020
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2020:4111
Zaaknummer
18/00612

Inhoudsindicatie

BPM. Gemachtigde geweigerd wegens beledigend taalgebruik. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken machtiging. Naar rechtbank Gelderland verstuurde machtiging behoefde niet te worden doorgezonden, omdat gemachtigde bewust dit stuk naar een verkeerde instantie heeft gestuurd. Hier is sprake van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht (art. 6:15 Awb).

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 18/00612

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 september 2018, nummer BRE 18/2720 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.

1.3.

De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Op 13 december 2019 heeft een regiezitting plaatsgevonden in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] (hierna: [gemachtigde 1] ), als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] . Op deze regiezitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en een aantal andere zaken.

1.7.

Van deze regiezitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verzonden.

1.8.

Naar aanleiding van de uitnodiging voor de zitting van 4 september 2020 heeft [gemachtigde 1] bij brief van 22 juni 2020 een verzoek tot wraking van de behandelend raadsheren ingediend. Dit verzoek is op 27 augustus 2020 door de wrakingskamer afgewezen (registratienummer 200.279.971/01).

1.9.

Naar aanleiding van de door [gemachtigde 1] ingediende pleitnota voor de op 4 september 2020 geplande zitting heeft het hof bij tussenuitspraak van 31 augustus 20201 [gemachtigde 1] geweigerd om nog langer bijstand te verlenen in de onderhavige zaak dan wel belanghebbende te vertegenwoordigen en heeft belanghebbende de gelegenheid gekregen om binnen vier weken een andere gemachtigde aan te wijzen. De op 4 september 2020 geplande zitting is vervolgens uitgesteld. Belanghebbende heeft de heer [gemachtigde 2] (hierna: [gemachtigde 2] ) aangewezen als nieuwe gemachtigde.

1.10.

Naar aanleiding van de uitnodiging voor hierna te melden zitting heeft [gemachtigde 2] bij brief van 15 oktober 2020 een verzoek tot wraking van de behandelend raadsheren ingediend. Dit verzoek is op 25 november 2020 door de wrakingskamer niet-ontvankelijk verklaard (registratienummer 200.284.610/01). De griffier heeft op 25 november 2020 telefonisch contact gehad met de inspecteur en [gemachtigde 2] en hen medegedeeld dat de wrakingskamer die dag uitspraak heeft gedaan, dat die uitspraak die dag aangetekend aan partijen is verzonden en dat de geplande zitting op 27 november 2020 doorgang zal vinden.

1.11.

De zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2020 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende noch haar gemachtigde is verschenen. De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij brief van 13 oktober 2020 heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief, met nummer [nummer] , is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs. Hieruit volgt dat de uitnodiging voor de zitting op 14 oktober 2020 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd.

1.12.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. Deze pleitnota wordt als nader stuk tot de gedingstukken gerekend.

1.13.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.14.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 22 februari 2017 aangifte BPM gedaan voor een ingevoerde auto [merk] . Het aangiftebiljet vermeldt een te betalen bedrag van € 9.342 en dit bedrag is door belanghebbende voldaan.

2.2.

De inspecteur heeft op 11 september 2017 een naheffingsaanslag aangekondigd. Belanghebbende heeft hier niet op gereageerd en op 31 oktober 2017 is de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 7.448.

2.3.

Op 7 november 2017 heeft [gemachtigde 1] een pro forma bezwaarschrift ingediend. Daarin staat vermeld dat gemachtigde optreedt namens belanghebbende. Een machtiging is niet bijgevoegd.

2.4.

De inspecteur heeft op 14 december 2017 [gemachtigde 1] bericht dat een schriftelijke machtiging ontbreekt en hem in de gelegenheid gesteld binnen vier weken een machtiging te overleggen.

2.5.

Op 6 februari 2018 heeft de inspecteur [gemachtigde 1] bericht dat hij nog geen machtiging heeft ontvangen en hem twee weken de tijd gegeven om te voldoen aan het verzoek zoals geformuleerd in de brief van 14 december 2017.

2.6.

Bij uitspraak op bezwaar van 21 maart 2018 heeft de inspecteur het bezwaar nietontvankelijk verklaard, omdat [gemachtigde 1] niet heeft aangetoond dat hij gemachtigd is om namens belanghebbende bezwaar in te dienen.

2.7.

Belanghebbende heeft op 9 februari 2018 een machtiging ondertekend. [gemachtigde 1] heeft deze op 14 februari 2018 per fax verzonden aan de rechtbank Gelderland.

2.8.

Op 19 en 20 november 2019 heeft [gemachtigde 1] telefonisch verzocht om uitstel van de zitting van 13 december 2019 in verband met opgestarte compromisbesprekingen bij de rechtbank Gelderland. Bij brief van 26 november 2019 heeft het hof hiermee ingestemd en besloten de zitting van 13 december 2019 om te vormen tot een regiezitting.

2.9.

Bij brief van 18 februari 2020 heeft [gemachtigde 1] het hof bericht dat de compromisbesprekingen niet tot resultaat hebben geleid en dat aanhouding van de onderhanden zaken niet langer wenselijk is.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de inspecteur voldaan aan de verplichting van artikel 8:42 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)?

2. Is van belanghebbende terecht respectievelijk naar het juiste bedrag griffierecht geheven?

3. Heeft de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?

4. Is de hoorplicht geschonden?

5. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van werkelijke kosten van bezwaar en proceskosten?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar, ontvankelijkverklaring van het bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag.

3.3.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing