Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20-05-2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1492, 20/00400

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20-05-2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1492, 20/00400

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20 mei 2021
Datum publicatie
11 juni 2021
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2021:1492
Formele relaties
Zaaknummer
20/00400

Inhoudsindicatie

Bij een controle op 16 september 2018 is gebleken dat belanghebbende met een auto, voorzien van een Duits kenteken, gebruik van de openbare weg in Nederland heeft gemaakt. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een verzuimboete opgelegd. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht is opgelegd. Het hof oordeelt in de eerste plaats dat belanghebbende met hetgeen zij heeft overgelegd niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto haar slechts op 29 maart 2018 en 16 september 2018 feitelijk ter beschikking heeft gesteld. Het hof oordeelt in de tweede plaats dat geen sprake is van afwezigheid van alle schuld en dat de boete passend en geboden is. Hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 20/00400

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 juni 2020, nummer BRE 19/2049, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) over de periode 12 september 2016 tot en met 15 september 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.

1.3.

De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2021 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur] .

1.7.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en staat sinds 1986 ingeschreven op een Nederlands adres in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP).

2.2.

Belanghebbende is geregistreerd als houdster van een motorrijtuig met een Nederlands kenteken. In de periode 13 juli 2015 tot en met 10 mei 2019 is de geldigheid van het kenteken van dit motorrijtuig meerdere malen geschorst geweest als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, Wegenverkeerswet 1994.

2.3.

Bij een controle op 16 september 2018 is geconstateerd dat belanghebbende met een motorrijtuig, merk BMW, voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] (hierna: de auto) gebruik van de openbare weg heeft gemaakt. Ten tijde van de controle stond de auto niet op naam van belanghebbende, maar op naam van [A] (hierna: [A] ). [A] is de neef van de vriend van belanghebbende en woont in Duitsland. Voor de auto is ter zake van het gebruik van de Nederlandse weg geen MRB betaald.

2.4.

Van de controle op 16 september 2018 is een rapport opgemaakt. Als verklaring van belanghebbende staat in het controlerapport vermeld:

‘vrtg geleend van neef van haar vriend.’

Verder staat er vermeld dat belanghebbende al eerder, namelijk op 7 februari 2018 en op 29 maart 2018 is staande gehouden als bestuurster van de auto.

2.5.

Van de controle op 7 februari 2018 is geen rapport in het dossier aanwezig. Van de controle op 29 maart 2018 is wel een rapport aanwezig, waarin als toelichting wordt vermeld:

‘Bestuurster [belanghebbende] gaf aan in Nederland te wonen en de auto gehuurd te hebben. Haar duidelijk gemaakt dat zij niet in dit voertuig in Nederland mag rijden van de belastingdienst. Bij volgende keer aantreffen als bestuurder gaarne de belastingdienst in kennis stellen.’

2.6.

De naheffingsaanslag is opgelegd naar een bedrag van € 3.978. Tevens is bij beschikking een boete van € 3.978 opgelegd.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boetebeschikking verminderd tot € 397.

Daarnaast heeft de inspecteur de registratie van de auto voor de MRB beëindigd en de rekeningen MRB over de periode 16 september 2018 tot en met 16 juni 2019 laten vervallen.

2.7.

[A] heeft op 30 april 2020 een schriftelijke verklaring afgegeven, waarin hij verklaart eigenaar van de auto te zijn, dat hij op 16 september 2018 op stap was met belanghebbende en teveel gedronken had, en dat belanghebbende hem heeft thuisgebracht en vervolgens met de auto naar haar eigen huis is gereden.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslag, vernietiging van de boetebeschikking, veroordeling van de inspecteur tot vergoeding van de kosten in verband met het bezwaar, het beroep en het hoger beroep, alsmede vergoeding van de betaalde griffierechten. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

De naheffingsaanslag

4.1.

Ingevolge artikel 1, lid 1, Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB 1994) wordt MRB geheven ter zake van – onder meer – het houden van een personenauto.

4.2.

Volgens artikel 7, lid 1, aanhef en letter c, Wet MRB 1994 wordt een motorrijtuig gehouden door degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. Een dergelijke houder wordt op grond van artikel 7, lid 3, Wet MRB 1994, behoudens tegenbewijs, geacht in Nederland zijn hoofdverblijf te hebben indien hij in Nederland is ingeschreven in de BRP of verplicht was zich daartoe in te schrijven.

4.3.

Artikel 34, lid 1, Wet MRB 1994 maakt de naheffing van MRB mogelijk bij constatering van het feit dat met een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig gebruik wordt gemaakt van de weg in Nederland, terwijl voor dat motorrijtuig geen MRB is betaald.

4.4.

Voor de buitenlands-kenteken-gevallen bedoeld in artikel 34 Wet MRB 1994 bepaalt artikel 13, lid 2, Wet MRB 1994 de aanvang van het naheffingstijdvak. Het naheffingstijdvak vangt – voor zover van belang – aan met ingang van de dag waarop degene die het voertuig feitelijk ter beschikking heeft, is ingeschreven in de BRP en, zolang het motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking staat, telkenmale drie maanden later. Dit vermoeden geldt tenzij wordt aangetoond met ingang van welke dag het in het buitenland geregistreerde motorrijtuig in Nederland ter beschikking heeft gestaan. In dat geval vangt het naheffingstijdvak aan met ingang van laatstbedoelde datum. Er kan tot maximaal vijf jaren na het einde van het kalenderjaar worden nageheven (artikel 20, lid 3, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)).

4.5.

Belanghebbende stelt in de eerste plaats dat de auto alleen op de twee controledata 29 maart en 16 september 2018 aan haar ter beschikking heeft gestaan. Ter onderbouwing van die stelling verwijst belanghebbende naar de handgeschreven verklaring van [A] , naar de daarbij door haar overgelegde documenten en naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 december 2019.1 In de tweede plaats stelt belanghebbende dat niet vaststaat dat naast de twee genoemde controledata eveneens een controle heeft plaatsgevonden op 7 februari 2018 omdat de inspecteur met betrekking tot die datum geen mutatierapport heeft overgelegd. Daaraan doet niet af dat de controle van 7 februari 2018 in een controlerapport is genoemd, aldus belanghebbende. In de derde plaats stelt belanghebbende dat de overweging van de rechtbank, dat in de handgeschreven verklaring van [A] niet of onvoldoende tot uitdrukking is gebracht dat belanghebbende behoudens op de controledata van 29 maart 2018 en 16 september 2018 geen gebruiker is geweest van de auto, op een onjuiste of onzorgvuldige lezing berust.

4.6.

De inspecteur stelt dat de auto gedurende het gehele naheffingstijdvak aan belanghebbende ter beschikking heeft gestaan. Ter onderbouwing van dat standpunt stelt de inspecteur dat op 16 september 2018 is geconstateerd dat belanghebbende als bestuurster van de auto van de weg in Nederland gebruik heeft gemaakt, dat niet is vereist dat de auto aan belanghebbende duurzaam ter beschikking moet hebben gestaan en dat artikel 13, lid 2, Wet MRB 1994 het tijdstip van aanvang van de naheffingsperiode bepaalt. Bovendien stelt de inspecteur dat belanghebbende met de door haar overgelegde schriftelijke verklaring van [A] en de daarbij overgelegde documenten niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto slechts op de controledata 29 maart 2018 en 16 september 2018 aan haar ter beschikking heeft gestaan. In dat verband stelt de inspecteur zich onder verwijzing naar de uitspraken van Hof Amsterdam van 28 november 20192 en van Hof ’s-Hertogenbosch van 2 april 20203 op het standpunt dat aan de handgeschreven verklaring van [A] geen bewijskracht toekomt. Voorts stelt de inspecteur dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de vermelding in het rapport van de controle van 16 september 2018 dat belanghebbende eveneens bij een controle op 7 februari 2018 als bestuurster van de auto staande is gehouden. Dat wordt niet anders omdat geen mutatierapport van de controle op 7 februari 2018 in het dossier is bijgevoegd, aldus de inspecteur.

4.7.

De Hoge Raad heeft in de arresten van 5 april 20194nader gepreciseerd hoe de bepaling van artikel 13 Wet MRB moet worden toegepast. Daarin is geoordeeld dat de tegenbewijsregeling die is opgenomen in artikel 13, lid 2, Wet MRB zowel betrekking kan hebben op de aanvang van het tijdvak van naheffing, dat wil zeggen dat kan worden aangetoond dat de auto pas op een later tijdstip in Nederland ter beschikking heeft gestaan dan het tijdstip van inschrijving in de basisregistratie personen, als ook op tussenliggende periodes waarin de auto de belastingplichtige niet ter beschikking heeft gestaan. Onder aantonen dient te worden verstaan: aannemelijk maken.

4.8.

Ter onderbouwing van de stelling dat de auto alleen op de twee controledata 29 maart 2018 en 16 september 2018 aan haar ter beschikking heeft gestaan, heeft belanghebbende een handgeschreven verklaring van [A] overgelegd, waarin deze verklaart dat hij de eigenaar, de kentekenhouder en de vaste gebruiker van de auto was en dat die auto aan belanghebbende slechts op 16 september 2018 ter beschikking heeft gestaan. Ter ondersteuning van die verklaring heeft belanghebbende de volgende documenten overgelegd: een Bescheid über Kraftfahrzeugsteuer, betalingsbewijzen van de Kraftfahrzeugsteuer, bescheiden met betrekking tot de Kfz-versicherung en twee kentekenbewijzen, waaronder de zogenoemde Zulassungsbescheinigung Teil I. Ten aanzien van de handgeschreven verklaring van [A] en de daarbij overgelegde bescheiden overweegt het hof dat daaruit weliswaar kan worden afgeleid dat [A] – dan wel zijn vader – respectievelijk de eigenaar van de auto, de belastingplichtige voor de Duitse Kraftfahrzeugsteuer en de verzekeringnemer van de Duitse Kfz-versicherung is (geweest), maar dat deze omstandigheden niet uitsluiten dat de auto aan belanghebbende gedurende het gehele naheffingstijdvak feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Hieruit volgt dat, gelet op de inhoud van de handgeschreven verklaring van [A] en de daarbij overgelegde documenten, een beroep op de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 december 20195 belanghebbende niet kan baten. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat belanghebbende aan de hand van de door haar overgelegde handgeschreven verklaring van [A] en de daarbij door haar overgelegde documenten niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto haar slechts op 29 maart 2018 en op 16 september 2018 feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Omdat belanghebbende niet het van haar verlangde tegenbewijs heeft geleverd, geldt dat de auto gedurende de gehele naheffingsperiode feitelijk aan haar ter beschikking heeft gestaan. Daarom kan de beantwoording van de vraag of belanghebbende eveneens tijdens een controle op 7 februari 2018 als bestuurster van de auto staande is gehouden in het midden blijven.

4.9.

Op grond van hetgeen is overwogen in 4.8 is het hof van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

De boete

4.10.

Bij naheffing op grond van artikel 34 Wet MRB 1994 kan volgens artikel 37 Wet MRB 1994 een verzuimboete als bedoeld in artikel 67c AWR worden opgelegd wegens het niet op aangifte voldoen van de MRB. Op grond van paragraaf 34 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) kan voor deze beboetbare gedraging een boete worden opgelegd van maximaal 100 procent van het bedrag aan belasting dat niet is betaald, met een minimum van € 50 en maximaal het wettelijk maximum van artikel 67c AWR.

4.11.

Voor het opleggen van de verzuimboete is niet van belang of belanghebbende opzet of grove schuld kan worden verweten. Alleen indien er sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) blijft een boete achterwege.

4.12.

Belanghebbende stelt dat de boete dient te worden vernietigd omdat sprake is van avas. Ter onderbouwing van die stelling voert belanghebbende aan dat zij de auto te goeder trouw heeft gebruikt en er niet bij stil heeft gestaan, dat zij mogelijk artikel 34 Wet MRB 1994 overtreedt.

4.13.

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van avas omdat belanghebbende op 16 september 2018 bewust het risico heeft genomen om met de auto met buitenlands kenteken gebruik te maken van de Nederlandse weg. Tijdens de eerdere controle op 29 maart 2018 is door de desbetreffende politieambtenaar aan belanghebbende immers meegedeeld dat zij van de Belastingdienst niet in de auto mocht rijden.

4.14.

Het hof zal beoordelen of de opgelegde boete passend en geboden is. Bij de beoordeling of de opgelegde verzuimboete een passende en geboden sanctie is, moet de rechter rekening houden met alle relevante omstandigheden van het geval. Daartoe behoort - naast financiële omstandigheden - ook de omstandigheid dat de hoogte van de nageheven belasting is komen vast te staan met toepassing van het berekeningsvoorschrift dat is neergelegd in artikel 34, lid 2, tweede volzin, Wet MRB en de daarbij gehanteerde, weerlegbare bewijsvermoedens. De rechter moet in zijn uitspraak ervan blijk geven dat hij die omstandigheid in aanmerking heeft genomen.6 Het hof is van oordeel dat de rechtbank daar voldoende rekening mee heeft gehouden. Overige omstandigheden waaruit blijkt dat de boete van € 397 niet passend en geboden is, zijn gesteld noch gebleken.

4.15.

Uit het vorenstaande volgt dat de boete naar het oordeel van het hof passend en geboden is.

Tussenconclusie

4.16.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.17.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.18.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing