Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19-01-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:133, 19/00128 tot en met 19/00131

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19-01-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:133, 19/00128 tot en met 19/00131

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2022:133
Zaaknummer
19/00128 tot en met 19/00131

Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft als settlor en protector een trust ingesteld. De trust is houder van alle aandelen in een limited. Niet in geschil is dat de trust fiscaal transparant is. Het hof is van oordeel dat de limited niet fiscaal transparant is en dat belanghebbende niet kan beschikken over het vermogen van de limited als ware het zijn eigen vermogen. De inspecteur heeft het gelijkheidsbeginsel niet geschonden. Het hof is van oordeel dat belanghebbende inkomen uit aanmerkelijk belang ter zake van de aandelen in de limited geniet.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 19/00128 tot en met 19/00131

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 februari 2019, nummers BRE 16/2345 tot en met 16/2348 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2004, 2007 en 2009 en een - al dan niet tot navorderingsaanslag geconverteerde - aanslag IB/PVV 2008 opgelegd. Tevens is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2004 en 2007 ongegrond verklaard en de belastingaanslagen IB/PVV 2008 en 2009 en de daarbij gegeven beschikkingen heffingsrente verminderd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft uitspraak gedaan en de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft in reactie op het verweerschrift een conclusie van repliek ingediend.

1.6.

De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend en daarbij een verzoek om geheimhouding gedaan. Het hof (hoofdkamer) heeft de zaak vervolgens in handen gesteld van de geheimhoudingskamer.

1.7.

De geheimhoudingskamer heeft op 16 juli 2020 (tussen)uitspraak gedaan.

1.8.

De inspecteur heeft bij brieven van 10 augustus en 14 september 2020 stukken ingezonden in reactie op de tussenuitspraak van de geheimhoudingskamer.

1.9.

Op 21 september 2020 heeft de griffier van de geheimhoudingskamer de in 1.8 bedoelde stukken doorgezonden aan belanghebbende en partijen per brief bericht dat de procedure voor de geheimhoudingskamer is beëindigd en dat de zaak verder zal worden behandeld door de hoofdkamer. De geheimhoudingskamer heeft de zaak vervolgens in handen gesteld van de hoofdkamer.

1.10.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.11.

De inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof en door tussenkomst van de griffier aan de andere partij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.12.

De zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2021 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , als gemachtigden van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.13.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

1.14.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.15.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 12 januari 2004 als settlor en protector [de Trust] (hierna: de Trust) ingesteld. [A Limited] (hierna: [A Limited] ) is aangesteld als trustee van de Trust (hierna: de trustee). De Trust is een irrevocable discretionary trust. Belanghebbende, zijn echtgenote en zijn kinderen zijn aangemerkt als beneficiaries.

2.2.

De Trust is houder van alle aandelen in de op 9 januari 2004 opgerichte [B Limited] (hierna: de Limited). De Limited is opgericht op grond van The International Business Companies Act van de Commonwealth of The Bahamas.

2.3.

Op naam van de Limited zijn een spaarrekening en een beleggingsrekening gesteld (hierna: de bankrekeningen). De bankrekeningen zijn aangehouden bij de [bank] (later [C] ) in Zwitserland. In het op 12 januari 2004 door de relatiemanager ondertekende registratieformulier van de [bank] zijn de volgende gegevens vermeld:

“1.1 Client/Domicile

Company Name [B Limited]

Address Line 1 P.O. Box [nummer]

Address Line 2 [adres 1]

Address Line 3 [adres 2]

(…)

Place [plaats 1]

Country (Residence) Bahamas

Place of incorporation (country) Bahamas

Domicilary Company yes

Legal Form Company limited by shares

(…)

Section 3 - Background Information (Client Profile)

Proposed size of account approx. EUR 2.5 Mio

3.1

Personal Information on beneficial owner(s)

3.1.1

Professional activity (employee) or own business activities

The client is the son of the Settlor of [H] . He received a donation from his father, which will be transferred in [de Trust] . The assets concerned will be transferred directly from the account of [J] (underlying Company of The [H] ). (…)”.

2.4.

De Limited, als rekeninghouder, heeft op 21 januari 2004 een volmacht voor vermogensbeheer gegeven aan belanghebbende “for all currently existing accounts” en “authorizes the Attorney (hof: belanghebbende) to legally represent him/them with regard to all investment management dealings and investment decisions with [bank] ” (hierna: de volmacht).

2.5.

Belanghebbende heeft in de verschillende jaren opnames gedaan ten laste van de bankrekeningen. In zijn aangiften IB/PVV over de onderhavige jaren heeft belanghebbende voor die opnames geen inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven. Wel heeft hij een deel van de bankrekeningen aangegeven als onderdeel van de rendementsgrondslag van zijn inkomen uit sparen en beleggen.

2.6.

Eind 2009, begin 2010 zijn de Limited en de Trust opgeheven. In verband daarmee is op 17 december 2009 een finale opname van € 2.403.061 gedaan.

2.7.

Het beloop van de bankrekeningen is vanaf het ontstaan tot en met de opheffing als volgt:

Datum

Saldo van de bankrekeningen (€)

Februari 2004

2.105.307

1 januari 2005

2.121.398

1 januari 2006

2.528.494

1 januari 2007

2.862.915

1 januari 2008

2.981.449

1 januari 2009

3.005.373

17 december 2009

2.403.061

18 december 2009

0

2.8.

Op 7 september 2012 heeft belanghebbende de Belastingdienst geïnformeerd over zijn participatie in de Trust en de Limited. Op 28 december 2012 heeft belanghebbende stukken voor de vaststelling van de verschuldigde belasting toegestuurd. Naar aanleiding daarvan is veelvuldig contact tussen partijen geweest.

2.9.

De belastingaanslagen zijn opgelegd naar de volgende belastbare inkomens, waarbij voor de aandelen in de Limited inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen, en bij beschikkingen zijn de volgende bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht:

belastbaar inkomen

Jaar

Aanslagnr.

[aanslagnummer]

box 1

box 2

box 3

heffingsrente

2004

H.48

88.993

70.177

45.771

6.322

2007

H.77

62.850

114.517

25.986

6.402

2008

H.86

45.480

93.303

63.655

7.884

2009

H.97

23.718

680.631

126.741

28.841

2.10.

De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen IB/PVV 2004 en 2007 en de daarbij gegeven rentebeschikkingen bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de belastingaanslagen IB/PVV 2008 en 2009 verminderd en de daarbij gegeven rentebeschikkingen evenredig verminderd.

2.11.

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

2.12.

[D] , voormalig partner bij [E AG] heeft op 28 juni 2021 het volgende schriftelijk verklaard:

“● De heer [belanghebbende] (hierna: cliënt) is gedurende vele jaren cliënt bij [E AG] voor vermogensbeheer in Zwitserland.

● De cliënt bankierde gedurende lange tijd bij [F] te [plaats 2] . Om het privévermogen van de cliënt te beschermen is in 2004 een investeringsstructuur (met een trust ( [de Trust] ) en een [G Ltd] ( [B Limited] )) opgericht. De cliënt was en bleef volledig gerechtigd tot het vermogen en had feitelijk zeggenschap over de beleggingsbeslissingen. [B Limited] werd destijds in de Trust geïncorporeerd als onderdeel van vermogensbescherming- en structurering, maar veranderde de feitelijke zeggenschap van cliënt over de beleggingen niet.

● De ontstane truststructuur (met een trust en een [G Ltd] ) was destijds een gebruikelijke structuur voor vermogens- en identiteitsbescherming van de cliënt tot het trustvermogen. Ook leende de structuren zich goed voor de overdracht van vermogen naar de volgende generaties.

● In de praktijk kon het vermogen efficiënt en actief beheerd en gemanaged worden door de cliënt. De bankrekening werd door [E AG] en door de cliënt als zijn persoonlijk vermogen beheerd. De cliënt stuurde het beleggingsbeleid van zijn vermogen aan als de opdrachtgever en [E] voerde dat uit bij de bank [F] [plaats 2] .

● [E] onderhield geen contacten met de Limited. De Trust werd door [E AG] gezien als het vermogens- en beleggingsvehikel van de cliënt. [E] had ook enkel contact met de cliënt.

● Het vermogen dat op de bankrekening is gestort, werd door de bank als een private storting (van vader) aan een private persoon (zoon) gekwalificeerd. Dit blijkt ook uit de openingsstukken van de bankrekening.

● Het beheer van de bankrekening is door [F] vastgelegd als: “regular private banking services”. Er was nadrukkelijk geen dienstverlening vastgelegd in de zin van “corporate banking services” ten behoeve van de Limited.

● De bank [F] voerde de opdrachten uit die aan [E AG] werden gegeven door de cliënt. Er was geen sprake van een verstrekte opdracht door de Limited.”.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Geniet belanghebbende inkomen uit aanmerkelijk belang ter zake van de aandelen in de Limited (standpunt inspecteur) of behoren de bezittingen van de Limited tot de rendementsgrondslag van belanghebbende (standpunt belanghebbende)?

  2. Als bij vraag a het standpunt van de inspecteur wordt gevolgd: heeft de inspecteur het gelijkheidsbeginsel geschonden, waardoor de bezittingen van de Limited tot de rendementsgrondslag van belanghebbende moeten worden gerekend?

  3. Als de bezittingen van de Limited tot de rendementsgrondslag van belanghebbende behoren: is de ingehouden buitenlandse bronheffing verrekenbaar?

3.2.

Tussen partijen bestaat geen geschil over de volgende punten:

  1. de inspecteur heeft bij het opleggen van de belastingaanslagen de formeelrechtelijke bepalingen in acht genomen;

  2. de Trust is fiscaal transparant;

  3. de Limited heeft een in aandelen verdeeld kapitaal;

  4. e waarde van de beleggingen en de saldi van de bankrekeningen op naam van de Limited en de op basis daarvan door de inspecteur gemaakte cijferopstellingen;

  5. de inspecteur heeft artikel 8:42, lid 1, Awb niet geschonden;

  6. als bij vraag a het standpunt van de inspecteur wordt gevolgd en vraag b ontkennend wordt beantwoord, blijven de belastingaanslagen in stand.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de belastingaanslagen en de in rekening gebrachte heffingsrente. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing