Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18-05-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1568, 21/01111

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18-05-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1568, 21/01111

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18 mei 2022
Datum publicatie
10 juni 2022
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2022:1568
Formele relaties
Zaaknummer
21/01111

Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen een brief van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin de rechtbank haar erop heeft gewezen dat zij voor klachten over beslagleggingen bij de civiele rechter en niet bij de belastingrechter moet zijn. Het hof heeft belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard omdat belanghebbende niet tegen een brief in hoger beroep kan komen. Het verzet tegen de uitspraak is ongegrond.

Uitspraak

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Nummer: 21/01111

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzet van

[belanghebbende] ,

te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van het hof als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van 2 december 2021 (hierna: de uitspraak) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de brief van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 juli 2021, in het geding tussen belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst,

hierna: de ontvanger.

De zitting heeft plaatsgehad op 4 mei 2022 te ‘s-Hertogenbosch. Aan deze zitting heeft deelgenomen namens de ontvanger, [de ontvanger] . Belanghebbende is niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij brief van 14 april 2022 heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief, met kenmerk BK-SHE 21/01111, is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs. Hieruit volgt dat de uitnodiging voor de zitting op 16 april 2022 om 16:45 uur door of namens belanghebbende is afgehaald op een PostNL-locatie. Bedoelde brief is belanghebbende tevens per e-mail op 14 april 2022 toegestuurd.

Na behandeling van de zaak heeft het hof heden, 18 mei 2022, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Het hof verklaart het verzet ongegrond.

Gronden

Ten aanzien van het geschil

1. Met de uitspraak heeft het gerechtshof het hoger beroep van belanghebbende kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij heeft het hof overwogen:

‘Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de brief van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 juli 2021. Inhoudelijk begrijpt het gerechtshof belanghebbendes hogerberoepschrift aldus dat zij het gerechtshof verzoekt:

De Belastingdienst te gelasten geen uitvoering (meer) te geven aan het beslag dat ten gunste van [A] is gelegd;

Het UWV te gelasten geheel of gedeeltelijk geen uitvoering (meer) te geven aan het beslag dat ten gunste van [A] is gelegd;

De patstelling die tussen belanghebbende enerzijds en [A] , het UWV en/of de Belastingdienst anderzijds bestaat aangaande genoemde beslagen en betaal- en ontvangstoverzichten, te doorbreken.

De vraag is in de eerste plaats of de brief van de rechtbank moet worden aangemerkt als een

uitspraak waartegen hoger beroep kan worden ingesteld. Het hof is van oordeel dat dit niet

het geval is. In deze brief wordt belanghebbende geïnformeerd over het feit dat

belanghebbende - gelet op de door haar aangevoerde punten - zich voor haar klachten moet

wenden tot de civiele rechter. Deze vorm van informatieverstrekking is overduidelijk geen

uitspraak waartegen hoger beroep kan worden ingesteld (artikel 8:104 Algemene wet

bestuursrecht (hierna: Awb)).

Indien de brief wel zou moeten worden opgevat als een uitspraak waartegen hoger beroep

kan worden ingesteld, dan is het hof van oordeel dat dit hoger beroep kennelijk ongegrond is.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat zij niet bevoegd te oordelen over de invordering

van aanslagen, beslagen en belanghebbendes betaalmogelijkheden en dat zij een geschil

daarover moet voorleggen aan de civiele rechter.’.

2. Belanghebbende is tegen de uitspraak tijdig in verzet gekomen. In verzet heeft belanghebbende – zo begrijpt het hof belanghebbendes verzetschrift – het volgende betoogd:

  1. Het hof heeft niet zorgvuldig gehandeld door niet vooraf te onderzoeken of het door belanghebbende in het beroepschrift opgegeven correspondentieadres correct is, vanwege het ontbreken van een ‘per adres‘.

  2. Het hof was wel bevoegd te beslissen op het hoger beroep van belanghebbende gelet op (de functie van) nationale en EU-regelgeving en de grondwet.

  3. Als het hof niet bevoegd was te beslissen op het hoger beroep van belanghebbende dan had hij moeten doorverwijzen naar het Openbaar Ministerie.

3. Belanghebbende heeft in haar hogerberoepschrift – dagtekening 22 augustus 2021 – o.a. vermeld:

‘ [belanghebbende]

Per adres: [postbusnummer]

[postcode] [woonplaats]

(The Netherlands.)‘

Het hof heeft zijn correspondentie bedoeld voor en gericht aan belanghebbende – waaronder de bestreden uitspraak van 2 december 2021 – gestuurd naar dit adres met weglating van ‘per adres’. Voor het geval belanghebbende bedoelt dat weglating van de woorden ‘per adres’ onzorgvuldig is, faalt dit betoog, aan de ene kant bij gebrek aan een afdoende motivering door belanghebbende van haar stelling en aan de andere kant omdat uit de stukken blijkt dat deze correspondentie belanghebbende gewoon heeft bereikt waardoor het belang bij deze stelling ontbreekt. Het hof had – ook gelet op eerdere correspondentie die belanghebbende met het hof heeft gewisseld – verder geen reden aan te nemen dat het in het hogerberoepschrift vermelde adres onjuist is. Geen rechtsregel verplicht het hof een door een belanghebbende opgegeven (correspondentie-)adres op juistheid te onderzoeken en/of controleren. Belanghebbendes stelling dat het hof onzorgvuldig heeft gehandeld faalt ook daarom.

4. Belanghebbende heeft hoger beroep aangetekend tegen een brief van de rechtbank die volgens het oordeel van het hof overduidelijk niet als uitspraak kwalificeert in de zin van artikel 8:104 Awb. Daarvan uitgaande is – gelet op het bepaalde in genoemd Awb-artikel – het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbendes stelling dat het hof bevoegd was op het hoger beroep te beslissen is gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat het hof zich onbevoegd heeft verklaard en faalt daarom.

Als bedoelde brief van de rechtbank wel als uitspraak in vorenbedoelde zin kwalificeert dan heeft het hof terecht geoordeeld dat belanghebbendes hoger beroep hiertegen kennelijk ongegrond is, omdat de rechtbank niet bevoegd is te oordelen over de invordering van aanslagen, beslagen en belanghebbendes betaalmogelijkheden. Een dergelijk oordeel is voorbehouden aan de civiele rechter. Belanghebbende heeft voor het overige onvoldoende gemotiveerd waarom het hof ten onrechte het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk en ten overvloede ongegrond heeft verklaard.

5. Wat belanghebbende beoogd heeft met haar betoog over het doorverwijzen naar het Openbaar Ministerie is onduidelijk. Het betoog van belanghebbende is onsamenhangend en daardoor moeilijk leesbaar. Indien en voor zover belanghebbende heeft willen stellen dat het hof verplicht is bij het Openbaar Ministerie aangifte te doen van strafrechtelijke delicten (jegens belanghebbende begaan door [A] , UWV en/of Belastingdienst), is het hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een dergelijk genoemd delict.

Het verzet

6. Naar het oordeel van het hof heeft het gerechtshof het hoger beroep op juiste gronden kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Ten aanzien van de proceskosten

7. Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Slot

8. De slotsom is dat het verzet tegen de uitspraak ongegrond is.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, raadsheer, in tegenwoordigheid van A. Muller, griffier.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op:18 mei 2022

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.