Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29-06-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2461, BKDH-21/00566

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29-06-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2461, BKDH-21/00566

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29 juni 2022
Datum publicatie
25 juli 2022
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2022:2461
Formele relaties
Zaaknummer
BKDH-21/00566

Inhoudsindicatie

Overdrachtsbelasting; Artikel 15 Wet BRV; Samenloopvrijstelling; Onroerende zaak: één complex of meerdere zelfstandige delen; unit niet zelfstandig bruikbaar wegens ontbrekende voorzieningen voor primaire levensbehoeften (sanitair en pantry).

Uitspraak

Zittingsplaats Den Haag

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BKDH-21/00566

in het geding tussen:

(gemachtigde: C.E. van Dijk)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (de Rechtbank) van 12 maart 2021, nummer BRE 17/8249.

Procesverloop

1.1.

Belanghebbende is een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van € 147.867. Voorts is bij beschikking € 5.339 belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 106.836 en de belastingrente verminderd tot € 3.857.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake is een griffierecht geheven van € 333. De beslissing van de Rechtbank luidt:

“De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-

vernietigt de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente;

-

veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 44,44;

-

veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.955,56;

-

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.333;

-

gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 333 aan deze vergoedt;

-

bepaalt dat wettelijke rente moet worden vergoed over de toegekende immateriële schadevergoeding, proceskosten en de vergoeding van griffierecht vanaf vier weken na openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank tot aan de dag van algehele voldoening.”

1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

In de Tijdelijke aanwijzing gerechtshof Den Haag voor hoger beroepszaken rijksbelastingen van het gerechtshof 's-Hertogenbosch (Stcrt. 2021, 9365) is het gerechtshof Den Haag aangewezen als gerechtshof waarvan de zittingsplaats tijdelijk mede wordt aangemerkt als zittingsplaats van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Op grond van voornoemde regeling heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in Den Haag op 19 mei 2022. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft bij akte van levering van 27 oktober 2015 van [A B.V.] (hierna: de verkoper) het voortdurend recht van erfpacht (hierna: het erfpachtrecht) verkregen van een perceel grond met opstallen, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het erfpachtgoed). De opstallen bestaan uit een kantoorgebouw, restaurant met bijbehorend terras en een half verdiepte parkeergarage met 20 parkeerplaatsen en inpandige fietsenstalling. De koopprijs bedroeg € [bedrag] inclusief de gekapitaliseerde canon.

2.2.

Het erfpachtgoed is niet gesplitst in appartementsrechten. Er is geen sprake van juridische zelfstandigheid van delen van het erfpachtgoed. Het erfpachtgoed bestaat uit drie paviljoens die aan de achterkant op de begane grond en op de eerste verdieping zijn verbonden door een gemeenschappelijke gang. Deze gang biedt een aanbod van verschillende gemeenschappelijke faciliteiten, zoals vergaderruimtes, werkplekken, een pantry, zithoeken en toiletruimtes. De openbare horecavoorziening met flexplekken maakt onderdeel uit van de paviljoens. Voorts bevinden zich op de begane grond een gedeelde receptie en een ontvangst-/ wachtruimte. De drie paviljoens worden verhuurd aan zeven verschillende huurders die door middel van een keycard toegang kunnen krijgen tot hun eigen gehuurde gedeelte (via een druppel). Water, warmte en wifi zijn centraal geregeld en worden collectief afgerekend pro rato, aan de hand van verhuurd oppervlak. Er is één centrale brandmeldinstallatie en voor alle huurders is sprake van één dezelfde vluchtroute. De luchtbehandelingsinstallatie, de gebouwbewakingsinstallatie en de noodstroominstallatie zijn eveneens gemeenschappelijk. De temperatuur van de ruimte kan afzonderlijk van andere ruimtes verwarmd en gekoeld worden tot een maximum afwijking van drie graden van een voorgeprogrammeerde temperatuur.

2.3.

De eerste verdieping van paviljoen 1 (hierna: unit 5) wordt verhuurd aan [B B.V.] De huurovereenkomst is door huurder getekend op 16 oktober 2014. De ingangsdatum van de huur is 1 januari 2015. Op 25 november 2014 is de bankgarantie afgegeven en op 13 januari 2015 heeft de eerste huurbetaling plaatsgevonden. De huurder heeft in 2014 reeds toegang verkregen tot het gehuurde ten behoeve van inrichtingswerkzaamheden. In 2014 is ook reeds opdracht gegeven voor de inbouwwerkzaamheden en het plaatsen van een mezzanine/entresol. Deze werkzaamheden zijn ook in 2014 gestart. De huurder heeft het gehuurde op 15 maart 2015 betrokken.

2.4.

In de akte van levering hebben partijen een beroep gedaan op toepassing van artikel 37d van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB 1968) in de zin dat voor de heffing van omzetbelasting geen sprake is van een prestatie en op toepassing van artikel 15, lid 1, onderdeel a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet BRV) (hierna: de samenloopvrijstelling).

2.5.

De verkoper heeft voorafgaand aan de levering van het erfpachtgoed overleg gehad met de Inspecteur. Deze heeft op 22 oktober 2015 het standpunt ingenomen dat artikel 37d Wet OB 1968 van toepassing is op de levering in de door partijen voorgestane zin.

2.6.

Belanghebbende heeft geen overdrachtsbelasting op aangifte voldaan ter zake van de verkrijging van het erfpachtrecht.

2.7.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de samenloopvrijstelling ten onrechte is toegepast op unit 5 en heeft met dagtekening 11 november 2016 een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ter hoogte van € 147.867. Tevens is daarbij bij beschikking belastingrente in rekening gebracht ten hoogte van € 5.339.

2.8.

Bij uitspraak op bezwaar van 23 november 2017 is de naheffingsaanslag verminderd tot € 106.836 en de belastingrente tot € 3.857. De vermindering heeft plaatsgevonden omdat in de grondslag van de naheffingsaanslag ten onrechte ook de gemeenschappelijke ruimtes (naar rato) waren betrokken.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld:

Vraag 1 Dient voor de toepassing van de samenloopvrijstelling het erfpachtgoed als één complex te worden beschouwd?

4.1.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het gehele erfpachtgoed één zelfstandige onroerende zaak betreft, dan wel of in deze onroerende zaak aparte zelfstandige delen zijn te onderscheiden. Tot op heden is dit begrip niet nader ingevuld in de jurisprudentie. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 juni 2018, nr. 17/02087, ECLI:NL:HR:2018:1017, het volgende overwogen:

2.4.2. (...)

Bij de vaststelling of een gedeelte van een onroerende zaak zelfstandig als onroerende zaak kan worden aangemerkt, heeft als uitgangspunt te gelden dat niet met elkaar verbonden dan wel, indien verbonden, juridisch of fysiek te onderscheiden onroerende zaken afzonderlijk in aanmerking moeten worden genomen wanneer zij afzonderlijk (kunnen) worden gebruikt (vgl. HR 16 juni 2017, nr. 16/03358, ECLI:NL:HR:2017:1097, BNB 2017/169, rechtsoverweging 3.3.2).

Een concrete invulling van het begrip ‘zelfstandig’ is tot op heden niet gegeven.

4.2.

De rechtbank ziet aanleiding om aan te sluiten bij hetgeen de A-G heeft overwogen in zijn conclusie1 die voorafging aan het genoemde arrest:

6.9

Voor Btw-zelfstandigheid van een gedeelte van een gebouw is dus niet alleen vereist dat dat gedeelte in economische opzicht zelfstandig te gebruiken of te exploiteren is, maar ook dat het fysiek gescheiden is van de rest van het gebouw in de zin dat het ook bouwkundig te beschouwen moet zijn als zelfstandig. Dat betekent mijns inziens dat het een eigen toegang moet hebben en eigen voorzieningen zoals pantry, sanitair, elektra, water en telefoon/internet en dat het bouwkundig is afgegrensd, dus niet slechts met flexibele wanden. In het Btw-vastgoedbesluit is te dier zake steeds sprake van verdiepingen, maar als op één verdieping sprake is van meer bouwkundig van elkaar gescheiden en zelfstandig te gebruiken units, zie ik niet in waarom niet ook in dat geval beroep zou kunnen worden gedaan op het besluit.

4.3.

Vaststaat dat unit 5 niet beschikt over een eigen pantry en eigen sanitair. Deze behoren tot de gemeenschappelijke voorzieningen, zijn gesitueerd in de gemeenschappelijke ruimtes en kunnen door alle huurders worden gebruikt. De rechtbank acht voorzieningen als een pantry en sanitair dermate essentieel dat, bij gebreke van deze voorzieningen, niet gezegd kan worden dat unit 5 afzonderlijk kan worden gebruikt, zoals bedoeld in voornoemd arrest. Het erfpachtgoed dient dan ook als één complex te worden beschouwd.

4.4.

Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de eerste ingebruikneming van het complex heeft plaatsgevonden op 1 november 2014 en dat belanghebbende dan recht heeft op toepassing van de samenloopvrijstelling. Dit betekent dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd.

4.5.

Gelet op de beantwoording van vraag 1 komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vragen 2 en 3.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing