Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18-06-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1724, 23/873
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18-06-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1724, 23/873
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 18 juni 2025
- Datum publicatie
- 7 augustus 2025
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:1808, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 23/873
- Relevante informatie
- Art. 58 Wfsv, Art. 16 AWR
Inhoudsindicatie
Belanghebbende is in 2015 in loondienst werkzaam als bemanningslid op zeeschepen. Het hof is van oordeel dat terecht premies volksverzekeringen zijn geheven en dat is voldaan aan de voorwaarden om de te weinig geheven inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen na te vorderen.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/873
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] (België),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 16 maart 2023, nummer BRE 21/5492, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2015 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende woont in 2015 in Nederland.
Belanghebbende is in 2015 in loondienst werkzaam als bemanningslid op zeeschepen van de [bedrijf 1] . Vanaf 13 juli 2015 heeft hij als “3rd officer” werkzaamheden verricht aan boord van het in aanbouw zijnde schip [naam schip 1] in [land 1] . Op het loon dat belanghebbende heeft ontvangen van zijn werkgever [bedrijf 2] B.V. zijn over het volledige jaar 2015 premies volksverzekeringen (hierna: PVV) ingehouden.
Belanghebbende heeft op 25 juli 2016 aangifte IB/PVV 2015 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.179 en tevens aangegeven dat hij premieplichtig is voor de volksverzekeringen voor de periode 1 januari tot en met 12 juli 2015.
Met dagtekening 23 september 2016 is een voorlopige aanslag IB/PVV 2015 opgelegd, overeenkomstig de ingediende aangifte.
De inspecteur heeft op 13 maart 2017 telefonisch informatie opgevraagd bij belanghebbende in het kader van de beoordeling van zijn aangifte IB/PVV 2015. Belanghebbende heeft dezelfde dag stukken, zijnde het monsterboekje met een nadere toelichting, verstrekt aan de inspecteur.
De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 16 maart 2017 het volgende bericht:
“Bij het vaststellen van de definitieve aanslag inkomstenbelasting-premie volksverzekeringen-inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2015 van de heer [belanghebbende] , (…), is een fout opgetreden waardoor de aanslag tot een verkeerd bedrag is vastgesteld. De verzending van de aanslag is niet meer tegen te houden.
Ik bericht u hiermee echter dat u aan de aanslag geen rechten kunt ontlenen en dat de aangifte 2015 nog nader moet worden bekeken. Dit betekent dat er een navorderingaanslag kan worden opgelegd zonder boete.”
De aanslag IB/PVV 2015 is met dagtekening 31 maart 2017 vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte. De verschuldigde IB/PVV bedraagt na aftrek van de heffingskortingen € 5.410.
De navorderingsaanslag IB/PVV 2015 is met dagtekening 30 mei 2017 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.179 en een premie-inkomen van € 33.589, uitgaande van premieplicht voor het gehele jaar. De verschuldigde IB/PVV bedraagt na aftrek van de heffingskortingen € 9.173. Tevens is bij beschikking € 150 belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gevraagd zich uit te laten over de verzekeringspositie van een zeevarende, niet zijnde belanghebbende, die net als belanghebbende in dienstbetrekking is bij [bedrijf 2] B.V. en werkzaamheden heeft verricht op de scheepswerf in [land 1] . De SVB heeft bij brief van 5 oktober 2017 als volgt geantwoord:
“De werkgever heeft verklaard dat de werkzaamheden op de scheepswerf in [land 1] behoren tot de werkzaamheden die betrokkene als zeevarende normaliter ook uitvoert.
Als inhoudingsplichtige heeft de werkgever alle sociale verzekeringspremies op het loon van betrokkene ingehouden.
De werkgever heeft echter nagelaten voor de betreffende periode een verklaring bij de Sociale Verzekeringsbank aan te vragen.
Na de werkzaamheden op de scheepswerf is betrokkene op de [naam schip 2] , die vanaf 31 maart 2016 onder de Nederlandse vlag vaart, als zeevarende tewerkgesteld.
Conclusie:
Betrokkene heeft niet op het grondgebied van een andere lidstaat gewerkt.
De aldaar uitgevoerde werkzaamheden behoren tot de werkzaamheden die betrokkene als zeevarende normaliter ook uitvoert.
Verplichte sociale premies werden ingehouden.
Gezien deze feiten is op de in loondienst werkende zeevarende de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving onder [nummer 1] Art. 11.4 van toepassing, ondanks het gegeven dat de [naam schip 2] ten tijde van de werkzaamheden niet heeft gevaren.
Ook zou de beschouwing, dat de werkzaamheden in het vlagland zijn uitgevoerd, de juiste kunnen zijn, zodat de detacheringsbepaling onder [nummer 2] Art. 12.1 ook toegepast zou kunnen worden.”
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
-
Is sprake van een kenbare fout die navordering rechtvaardigt?
-
Is belanghebbende het gehele jaar 2015 in Nederland premieplichtig voor de volksverzekeringen?
Niet in geschil is dat belanghebbende in Nederland premieplichtig is voor de volksverzekeringen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 juli 2015.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.