Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25-06-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1766, 23/74
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25-06-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1766, 23/74
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 25 juni 2025
- Datum publicatie
- 24 september 2025
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2022:7116, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 23/74
- Relevante informatie
- Art. 3.8 Wet IB 2001, Art. 27e AWR
Inhoudsindicatie
Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan en er om die reden sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast. Ook is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de schatting van de inspecteur van het niet opgegeven inkomen van belanghebbende redelijk is.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/74
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
met gekozen domicilie in [plaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 25 november 2022, nummer BRE 21/2301, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft op 26 september 2024 verzocht om uitstel van de zitting die op dezelfde dag plaats zou vinden. Dat uitstelverzoek is toegewezen. Belanghebbende heeft op 17 december 2024 verzocht om uitstel van de zitting van 19 december 2024. Dat uitstelverzoek is toegewezen. Belanghebbende heeft op 30 april 2025 verzocht om uitstel van de zitting van 15 mei 2025. Dat uitstelverzoek is afgewezen.
Belanghebbende heeft op 14 mei 2025 een verzoek ingediend als bedoeld in artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) strekkende tot wraking van C.W.M.M. Verkoijen, T.A. Gladpootjes en H.J. Cosijn. De wrakingskamer van het hof heeft het wrakingsverzoek van belanghebbende op 15 mei 2025, nog voorafgaande aan de zitting, niet-ontvankelijk verklaard.
De zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.
De inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof. De pleitnota is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2 Feiten
Belanghebbende woonde in het onderhavige jaar in Nederland.
Het beroep van belanghebbende is veiligheidsdeskundige.
Belanghebbende bezit alle aandelen in [bedrijf 1] die op haar beurt alle aandelen in [bedrijf 2] bezit.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2018 een nihilaangifte IB/PVV ingediend.
[bedrijf 2] en [bedrijf 1] hebben voor het jaar 2018 geen aangiften vennootschapsbelasting en loonbelasting gedaan. [bedrijf 2] heeft voor de omzetbelasting nihilaangiften ingediend.
De inspecteur heeft in het kader van een derdenonderzoek bankgegevens opgevraagd bij [C] en [D] . [C] heeft op 13 april 2020 aan de inspecteur banksaldo- en transactiegegevens verstrekt ten name van (onder meer) [bedrijf 2] Uit de bankafschriften volgt dat [bedrijf 2] in het jaar 2018 een totaalbedrag van € 218.307,16 heeft ontvangen van een detacheringsbureau genaamd [detacheringsbureau] (hierna: het detacheringsbureau).
Uit de bankgegevens blijkt dat op bankrekening [bankrekening] , rekeninghouder [belanghebbende] , op 26 juni 2018 € 3.842 is bijgeschreven met als omschrijving ‘salaris juni 2018’ en als tenaamstelling tegenrekening ‘ [bedrijf 2] ’. Op 24 juli 2018 is een zelfde bedrag bijgeschreven met als omschrijving ‘salaris juli 2018’ van dezelfde tegenrekening. Ook zijn er gedurende 2018 veelvuldig bedragen tussen € 300 en € 1.500 op deze bankrekening ontvangen afkomstig van dezelfde tegenrekening.
Uit de bankgegevens van [bedrijf 2] blijkt verder dat er onder andere overschrijvingen zijn gedaan naar de tegenrekeninghouders: [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , [bedrijf 5] , [bedrijf 6] , [bedrijf 7] , [bedrijf 8] , [bedrijf 9] , [bedrijf 10] , [bedrijf 11] , [bedrijf 12] , [bedrijf 13] , [bedrijf 14] , [bedrijf 15] , [bedrijf 16] , [bedrijf 17] en [bedrijf 18] .
De inspecteur heeft bij het detacheringsbureau een derdenonderzoek ingesteld. De inspecteur heeft op 14 mei 2020 een overzicht ontvangen van de gewerkte uren van ‘contractor [belanghebbende] ’ met bijbehorende uurtarieven en onder vermelding van de bedrijven waar de werkzaamheden voor waren. De inspecteur heeft daarnaast de beschikking gekregen over de door [bedrijf 2] aan het detacheringsbureau uitgereikte facturen. In de hierop weergegeven omschrijving staat vermeld: "For Consultancy Services Provided by: [belanghebbende]". Het totaal aantal gefactureerde uren over 2018 bedraagt 1.832. Door [bedrijf 2] is een uurtarief gehanteerd van € 90. Ook zijn er diverse onkostenvergoedingen verstrekt.
De inspecteur heeft op 10 november 2022 twee projectovereenkomsten ontvangen die [bedrijf 2] met het detacheringsbureau heeft gesloten. In deze overeenkomsten staat onder meer: ‘CONSULTANT: [belanghebbende] ’, ‘VERWACHTE AANTAL UREN PER WEEK: 40 uur’, ‘Uurtarief dat gehanteerd wordt voor alle uitvoerende werkzaamheden: € 90.00 per uur’ en ‘ONKOSTENVERGOEDING: Onkostenvergoedingen moeten vooraf door de manager worden goedgekeurd’. De ene overeenkomst heeft een startdatum van 23 december 2017 en een einddatum van 30 april 2018. De andere overeenkomst heeft een startdatum van 1 december 2018 en een einddatum van 30 juni 2019.
De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2018 afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte. De inspecteur heeft het loon van belanghebbende gecorrigeerd en vastgesteld op € 145.668. In zijn brief aan belanghebbende van 12 november 2020 waarin hij aankondigt voornemens te zijn af te wijken van de aangifte, heeft de inspecteur dit bedrag als volgt gemotiveerd: ‘Uit mijn informatie komt naar voren dat door de rechtspersoon een bruto omzet van € 195.844 is gegenereerd. Dit bedrag is uitsluitend gebaseerd op de betalingen van opdrachtgevers die op de bankafschriften zijn opgenomen. Na aftrek van omzetbelasting blijft er een bedrag van € 161.854 over. Dit bedrag moet met de aftrekbare kosten worden verminderd. Een kostenpercentage van 10% acht ik gelet op het dienstverlenende karakter van de werkzaamheden redelijk. Uitgaande van deze bedragen resteert er € 145.668,60 (afgerond: € 145.668). Dit bedrag dient als gebruikelijk loon te worden aangemerkt. Ik heb ervoor gekozen om dit loon in de inkomstenbelasting te corrigeren.’. Dit heeft geresulteerd in een bedrag van € 67.202 aan verschuldigde IB/PVV.
De aanslag IB/PVV 2018 (hierna: de aanslag) is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 145.668. Tevens is bij beschikking € 3.615 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen.
1. Heeft de inspecteur artikel 8:42 Awb geschonden?
2. Dienen bepaalde door de inspecteur overgelegde stukken te worden uitgesloten als bewijs?
3. Is de behandeling bij de rechtbank onzorgvuldig geweest?
4. Zijn de personen die namens de inspecteur deze procedure voeren bevoegd om dat te doen?
5. Is de aanslag te hoog vastgesteld? Bij de beantwoording van deze vraag komen tevens de volgende (deel)vragen aan de orde:
a. Is sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast?
b. Heeft belanghebbende doen blijken dat de aanslag te hoog is vastgesteld?
c. Indien vraag a. bevestigend en vraag b. ontkennend worden beantwoord: Is sprake van een redelijke schatting?
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag naar nihil. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.