Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-10-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2780, 23/1873 en 23/1874

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-10-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2780, 23/1873 en 23/1874

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
8 oktober 2025
Datum publicatie
4 november 2025
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:2780
Formele relaties
Zaaknummer
23/1873 en 23/1874
Relevante informatie
Wet inkomstenbelasting 2001 [Tekst geldig vanaf 01-01-2026 tot 01-01-2027] art. 7.8, Art. 7.8 Wet IB 2001

Inhoudsindicatie

Art. 7.8, lid 6, Wet IB 2001. Belanghebbende voldoet niet aan voorwaarden om aangemerkt te worden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Geen recht op aftrek in verband met zijn woning in Duitsland.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 23/1873 en 23/1874

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 november 2023, nummers BRE 21/5091 en 22/2456, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen inkomstenbelasting (hierna: IB) voor de jaren 2018 en 2019 opgelegd en bij gelijktijdige beschikkingen belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht (hierna: de belastingrentebeschikkingen).

1.2.

De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen IB 2018 en 2019 en de belastingrentebeschikkingen bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.6.

Aan het einde van de zitting is het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen is verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1951 en woonde in 2018 en 2019 in Duitsland. Op 16 maart 2021 is belanghebbende vanuit Duitsland naar Nederland verhuisd. Hij heeft voor het laatst over het jaar 2017 aangifte in Duitsland gedaan. Voor de jaren 2018 en 2019 heeft belanghebbende geen aangifte in Duitsland gedaan.

2.2.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2018 een aangifte IB ingediend naar een belastbaar inkomen van € 54.130, bestaande uit een inkomen uit vroegere dienstbetrekking in Nederland van € 57.483 en negatieve inkomsten uit eigen woning van € 3.353.

2.3.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2019 een aangifte IB ingediend naar een belastbaar inkomen van € 53.012, bestaande uit een inkomen uit vroegere dienstbetrekking in Nederland van € 56.505 en negatieve inkomsten uit eigen woning van € 3.493.

2.4.

In de aangiften IB 2018 en 2019 heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat hij kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

2.5.

De inspecteur heeft bij brieven van 18 april 2020 (voor het jaar 2018) respectievelijk 18 november 2021 (voor het jaar 2019) inkomensverklaringen als bedoeld in artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001 opgevraagd, omdat belanghebbende deze niet bij zijn aangiften IB heeft verstrekt. Belanghebbende heeft daarop de door de inspecteur gevraagde inkomensverklaringen niet overgelegd.

2.6.

De inspecteur heeft belanghebbende voor de jaren 2018 en 2019 niet aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. De inspecteur heeft daarom de in de aangiften IB 2018 en 2019 in aftrek gebrachte hypotheekrente niet op het inkomen in mindering gebracht en evenmin aan belanghebbende over die jaren heffingskorting verleend.

2.7.

Het belastbaar inkomen uit werk en woning is door de inspecteur bij de aanslagen IB 2018 en 2019 vastgesteld naar een verzamelinkomen van € 57.483 (2018) respectievelijk € 56.505 (2019). Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht.

2.8.

In de bezwaarfase is belanghebbende opnieuw verzocht om inkomensverklaringen voor de jaren 2018 en 2019 te overleggen. Belanghebbende heeft de inkomensverklaringen ook in de bezwaarfase niet overgelegd.

2.9.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, om belanghebbende in de gelegenheid te stellen alsnog inkomensverklaringen in het geding te brengen. Dat is niet gebeurd.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende in aanmerking komt voor een behandeling als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, en zo deze vraag bevestigend wordt beantwoord, of belanghebbende recht heeft op aftrek van hypotheekrente. Niet in geschil is dat de Nederlandse pensioenuitkeringen volledig in Nederland belastbaar zijn.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslagen IB 2018 en 2019 conform de ingediende aangiften, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.130 respectievelijk € 53.012 en het verlenen van heffingskorting en tot dienovereenkomstige vermindering belastingrentebeschikkingen.

3.3.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing