Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-11-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3246, 23/1865
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-11-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3246, 23/1865
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 12 november 2025
- Datum publicatie
- 18 december 2025
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:7863, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 23/1865
- Relevante informatie
- Art. 2.17 Wet IB 2001, Wet Rechtsherstel box 3, artikel 30ia Algemene wet inzake rijksbelastingen, Besluit proceskosten bestuursrecht, Besluit Rechtsherstel Box 3
Inhoudsindicatie
(Belasting)rente. In geschil is 1) of de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld, 2) of aan belanghebbende rente moet worden vergoed in verband met teveel betaalde box 3-belasting en 3) of de rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor immateriële schade heeft toegekend wegen overschrijding van de redelijke termijn. Het hof is van oordeel dat 1) de inspecteur het standpunt dat de belastingrente juist is vastgesteld uitdrukkelijk en ondubbelzinnig is prijsgegeven, 2) geen rente hoeft te worden vergoed over de teveel betaalde belasting inzake het box 3-vermogen en 3) belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1865
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 8 november 2023, nummer BRE 21/5833, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2019 opgelegd. Tegelijkertijd is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende is gehuwd met [naam] (hierna: [naam] ).
De inspecteur heeft op 11 mei 2021 aan belanghebbende een (definitieve) aanslag IB/PVV 2019 opgelegd overeenkomstig de door belanghebbende op 17 maart 2021 ingediende aangifte IB/PVV 2019.
Op 20 mei 2021 heeft belanghebbende een nadere aangifte over 2019 gedaan. In deze nadere aangifte is het box 3-inkomen anders verdeeld en daarbij zijn de onderstaande bezittingen en schulden opgenomen:
|
Bezittingen: |
||
|
- Bank- en spaartegoeden |
€ |
3.661.251 |
|
- Aandelen, obligaties e.d. |
€ |
185.527 |
|
- Overige vorderingen, contant geld |
€ |
349.219 |
|
- (Rechten op) onroerende zaken |
€ |
3.275.110 |
|
- Overige bezittingen |
€ |
97.626 |
|
Schulden: |
||
|
- Schulden (o.a. borg huurders) |
€ |
43.514 |
De inspecteur heeft deze nadere aangifte IB/PVV 2019 gevolgd en heeft op 24 juli 2021 een navorderingsaanslag IB/PVV 2019 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.695 en een voordeel uit sparen en beleggen van € 349.484 en een te betalen bedrag van € 92.193 en gelijktijdig bij beschikking een bedrag van € 3.198 aan door belanghebbende te betalen belastingrente vastgesteld.
De inspecteur had aan [naam] voorlopige aanslagen over het jaar 2019 opgelegd. Op 11 mei 2021 heeft de inspecteur haar een (definitieve) aanslag IB/PVV 2019 opgelegd met een te betalen bedrag van € 94.856 (waaronder € 2.685 aan belastingrente). [naam] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de bij haar opgelegde aanslag IB/PVV over 2019. Op 16 juli 2021 heeft de inspecteur de aanslag verminderd waardoor er geen te betalen bedrag meer resteerde.
De inspecteur heeft het door belanghebbende naar aanleiding van de opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV 2019 ingediende bezwaarschrift op 16 augustus 2021 ontvangen.
De rechtbank heeft het beroep behandeld ter zitting op 20 september 2022. Op 5 september 2022 heeft belanghebbende de gronden van het beroep uitgebreid en verzocht om rechtsherstel naar aanleiding van het (kerst)arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021.1 Ter zitting hebben alle betrokken partijen afgesproken om het centrale rechtsherstel door de Staatssecretaris af te wachten en is de zaak door de rechtbank aangehouden.
Met dagtekening 24 februari 2023 is in navolging van bovengenoemd arrest, het Besluit Rechtsherstel Box 3 en de Wet Rechtsherstel box 3 de navorderingsaanslag verminderd tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 189.426. Het bedrag van de belastingrente is dienovereenkomstig verminderd tot € 1.532.
Belanghebbende en [naam] hebben op 15 augustus 2023 aan de inspecteur verzocht om op grond van artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 de onderlinge verhouding van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen te wijzigen. De inspecteur heeft zich akkoord verklaard met die nadere verdeling, waardoor het aandeel van belanghebbende in de grondslag sparen en beleggen wordt verminderd van € 6.478.199 naar € 6.035.899.
Omdat belanghebbende zich klaarblijkelijk niet kon verenigen met het geboden rechtsherstel - belanghebbende wenste een andere verdeling dan gekozen bij (herziene) aangifte - heeft op verzoek van belanghebbende een tweede zitting plaats gehad op 27 september 2023.
In de door de inspecteur bij de rechtbank ingebrachte pleitnota staat – voor zover hier relevant – het volgende vermeld:
“1. Gegrond verklaren beroep
In het (nadere) verweerschrift van 25 februari 2022 hebben wij het standpunt ingenomen waarom naar onze mening het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard zou moeten worden. Op 18 november 2022 heeft de Hoge Raad in een vergelijkbare zaak arrest gewezen. Gelet op dit arrest, maar ook gelet op het nieuwe artikel 30ia Algemene wet inzake rijksbelastingen, geven wij uw Rechtbank in overweging het beroep van belanghebbende gegrond te verklaren.”
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 verminderd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 176.248, de rentebeschikking dienovereenkomstig verminderd, het verzoek om een dwangsom, een rentevergoeding in verband met de teveel betaalde box 3-belasting en een vergoeding van immateriële schade afgewezen en de inspecteur veroordeeld in het betalen van het griffierecht en de proceskosten.
De inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep met betrekking tot het geschil over de belastingrente het volgende geschreven:
“7. Motivering Inspecteur
7.1 Belastingrente
Ik ben van mening dat de belastingrente/heffingsrente terecht en tot een juist bedrag is vastgesteld.
(…)
8. Conclusie
De uitspraak van de rechtbank is juist en het hoger beroep dient ongegrond te
worden verklaard.”
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
i) Heeft de inspecteur de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?
ii) Moet aan belanghebbende rente worden vergoed in verband met de door hem uiteindelijk teveel betaalde box 3-belasting?
iii) heeft de rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend?
Belanghebbende heeft ter zitting bij het hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn standpunt ingetrokken dat hij recht heeft op een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het door belanghebbende ingediende bezwaar.
Belanghebbende concludeert tot het vergoeden van (belasting)rente en het toekennen van een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De inspecteur concludeert tot een ongegrond hoger beroep.