Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19-11-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3297, 23/1424 en 23/1429

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19-11-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3297, 23/1424 en 23/1429

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19 november 2025
Datum publicatie
10 december 2025
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:3297
Formele relaties
Zaaknummer
23/1424 en 23/1429
Relevante informatie
Art. 8:55 Awb, Art. 47 AWR, Art. 52a AWR

Inhoudsindicatie

Tweede informatiebeschikking mogelijk? De inspecteur heeft in het kader van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2015 een informatiebeschikking genomen en vragen gesteld over een bij een gelieerde vennootschap gevormde RUS/RUT. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt en beroep aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar. Dit beroep is na verzet ontvankelijk verklaard. Omdat de inspecteur inmiddels de aanslag IB/PVV 2015 heeft opgelegd, is de eerste informatiebeschikking vervallen. Het hof oordeelt dat de inspecteur geen tweede informatiebeschikking met dezelfde vragen kan nemen.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 23/1424 en 23/1429

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

en op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 23 augustus 2023, nummer BRE 22/385, in het geding tussen belanghebbende, de inspecteur

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),

hierna: de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over het jaar 2015.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.4.

De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 23/1424. Belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft eveneens hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 23/1429. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] , namens de inspecteur. Belanghebbende is niet verschenen. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaak met nummer 23/1430.

1.7.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verzonden.

1.9.

De griffier heeft verklaard dat de uitnodiging voor de zitting in het portaal van Mijn rechtspraak is gezet en niet per post aan belanghebbende is verstuurd. Uit telefonische navraag op de zittingsdag bij belanghebbende is gebleken dat hij niet op de hoogte was van de zitting, dat hij niet digitaal procedeert en dat hij nog niet alle stukken had ontvangen. Onderzoek na de zitting heeft uitgewezen dat belanghebbende niet op de juiste wijze voor de zitting van 21 maart 2025 was uitgenodigd. Het hof heeft het onderzoek heropend.

1.10.

Belanghebbende heeft vóór de nadere zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.

1.11.

De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaak met nummer 23/1430.

1.12.

Bij aanvang van de zitting zijn partijen erop gewezen, dat de meervoudige belastingkamer tijdens de zitting van 21 maart 2025 was samengesteld uit J.M. van der Vegt, T.A. Gladpootjes en B.J. Rubbens en dat de zaak verder wordt behandeld in een gewijzigde samenstelling door J.M. van der Vegt, A.J. Kromhout en B.J. Rubbens.

1.13.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende in het kader van de vaststelling van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de aanslag Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor het jaar 2015 aan belanghebbende vragen gesteld over, onder meer, zogeheten opgebouwde RUS/RUT aanspraken. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht om de RUS/RUT overeenkomsten en achterliggende berekeningen te overleggen.

2.2.

Belanghebbende heeft niet (volledig) aan dat informatieverzoek voldaan. Vervolgens heeft de inspecteur met dagtekening 9 januari 2018 een informatiebeschikking aan belanghebbende gegeven (hierna: de eerste informatiebeschikking). In die informatiebeschikking is, voor zover relevant, opgenomen:

“In mijn verzoek om informatie van 13 april 2017 vroeg ik u omtrent de volgende onderwerpen de navolgende informatie:

[…]

RUS/RUT:

- de overeenkomsten en achterliggende berekeningen.

[…]

Beoordeling volledigheid van uw reactie met dagtekening 31 augustus 2017:

[…]

RUS/RUT:

Bij uw reactie met dagtekening 31 augustus 2017 heb ik de overeenkomsten en achterliggende berekeningen niet aangetroffen.

[…]

Conclusie:

U heeft niet volledig aan mijn informatieverzoek van 13 april 2017 voldaan terwijl u op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verplicht bent uw medewerking te verlenen.

[…]

Nu u niet volledig op mijn verzoek om informatie van 13 april 2017 heeft gereageerd, ontvangt u hierbij deze informatiebeschikking ten aanzien van de aangifte inkomstenbelasting 2015 (ex artikel 52a van de Algemene wet rijksbelastingen).”

2.3.

Belanghebbende heeft tegen de informatiebeschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 1 augustus 2018 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Vervolgens heeft belanghebbende bij brief van 8 november 2018 beroep ingesteld tegen de eerste informatiebeschikking.

2.4.

De inspecteur heeft met dagtekening 23 november 2018 de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2015 aan belanghebbende opgelegd.

2.5.

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de eerste informatiebeschikking op 4 april 2019 niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift te laat was ingediend en belanghebbende geen gronden had aangevoerd die de te late indiening rechtvaardigden.1 Vervolgens heeft belanghebbende (op grond van artikel 8:55 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) verzet aangetekend tegen deze uitspraak. De rechtbank heeft bij uitspraak van 29 augustus 2019 het verzet gegrond verklaard, omdat in de rechtsmiddelverwijzing bij de uitspraak op bezwaar geen termijn wordt vermeld waarbinnen een rechtsmiddel moet worden aangewend.2 Dat had tot gevolg dat de eerdere uitspraak van de rechtbank kwam te vervallen en het onderzoek werd voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Omdat de inspecteur de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2015 al had opgelegd, kwam de eerste informatiebeschikking van rechtswege te vervallen.

2.6.

Belanghebbende heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de aan hem opgelegde aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2015. Gedurende die bezwaarfase heeft de inspecteur belanghebbende nogmaals verzocht om de overeenkomsten en achterliggende berekeningen van de RUS/RUT verplichting.

2.7.

Omdat de inspecteur van mening was dat de betreffende informatie niet werd aangeleverd, heeft hij aan belanghebbende met dagtekening 31 mei 2021 een informatiebeschikking gegeven (de tweede informatiebeschikking). In die informatiebeschikking is vermeld:

“ U heeft voor de RUS/RUT verplichting niet aan het informatieverzoek van 20 november 2019 voldaan terwijl u op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verplicht bent uw medewerking te verlenen.

Nu u niet op mijn verzoek om informatie van 20 november 2019 heeft gereageerd, ontvangt u hierbij deze informatiebeschikking ten aanzien van de aangifte inkomstenbelasting 2015 (ex artikel 52a van de Algemene wet rijksbelastingen).”

2.8.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de tweede informatiebeschikking.

2.9.

De inspecteur heeft, zonder dat een hoorgesprek heeft plaatsgevonden, het bezwaar met dagtekening 16 december 2021, ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.10.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de informatiebeschikking vernietigd, de minister veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 500 en de inspecteur gelast het griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de rechtbank de informatiebeschikking terecht heeft vernietigd (hoger beroep inspecteur) en op de vraag of de rechtbank had moeten oordelen over de aanslag IB/PVV 2015 en of belanghebbende recht heeft op een hogere vergoeding van immateriële schade (hoger beroep belanghebbende).

3.2.

Ter zitting heeft belanghebbende zijn klachten over het schenden van het hoorrecht ingetrokken.

3.3.

De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot ongegrondverklaring van het bij de rechtbank ingediende beroep. Belanghebbende concludeert tot een hogere vergoeding van immateriële schade.

4 Gronden

5 Beslissing