Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 03-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3448, 24/640
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 03-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3448, 24/640
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 3 december 2025
- Datum publicatie
- 21 januari 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:2377, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 24/640
- Relevante informatie
- Art. 7:3 Awb
Inhoudsindicatie
IB/PVV. Het hof volgt de rechtbank in zijn oordeel dat het niet aan de inspecteur te wijten is dat de aanslag IB/PVV te hoog is vastgesteld, waardoor de inspecteur terecht geen kostenvergoeding heeft toegekend. Het hoger beroep is ongegrond.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/640
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 april 2024, nummer BRE 23/414, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2021 (hierna: de aanslag) opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2 Feiten
In 2021 heeft belanghebbende van [overheidsinstelling]1 een bijstandsuitkering ontvangen van in totaal € 6.349. [overheidsinstelling] heeft aan de Belastingdienst doorgegeven dat de totale bijstandsuitkering in 2021 € 9.470 bedroeg.
Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV 2021 een belastbaar inkomen uit werk en woning vermeld van € 9.470, het bedrag dat [overheidsinstelling] aan de Belastingdienst had doorgegeven.
Belanghebbende heeft zijn aangifte ingevuld met behulp van de Belastingdienst (HUBA). Belanghebbende heeft na afloop de zogenoemde meegeefbrief ontvangen. Hierin staat onder meer:
“Deze aangifte is ingevuld op basis van de door u verstrekte gegevens. De aangifte wordt op dezelfde manier beoordeeld en behandeld als aangiften die zonder invulhulp van de Belastingdienst zijn ingediend. U kunt geen rechten ontlenen aan de invulhulp.”
Gedurende de bezwaarfase, op 16 november 2022, heeft een medewerker van [overheidsinstelling] de inspecteur het volgende gemaild:
“Wij hadden op 14 november 2022 telefonisch contact over de jaaropgave 2021 van [belanghebbende].
Ik kan u thans mededelen dat de vergoeding van de proceskosten ad. € 3.121,00 en daarop gevolgde verrekening met een openstaande schuld administratief helaas niet goed verwerkt zijn. Dit betekent dat het fiscaal loon van 2021 € 6.349,00 bedroeg.”
De inspecteur heeft vervolgens bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomsten uit werk en woning van € 6.349. De vermindering van de aanslag leidde tot een ‘te ontvangen of te verrekenen bedrag’ van € 675. De inspecteur heeft geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase aan belanghebbende toegekend.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en geoordeeld dat belanghebbende (i) geen recht heeft op vergoeding van de kosten van de bezwaarfase, (ii) het door hem betaalde griffierecht niet terugkrijgt en (iii) ook geen vergoeding van zijn proceskosten in de beroepsfase krijgt. Verder heeft de rechtbank overwogen dat zij niet mag oordelen over de juistheid van een beschikking van de ontvanger waaruit blijkt dat de teruggaaf is verrekend.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de in 2.5. genoemde oordelen van de rechtbank juist zijn. De hoogte van de aanslag, zoals deze luidt na vermindering, is niet in geschil.