Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3537, 23/1569
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3537, 23/1569
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 10 december 2025
- Datum publicatie
- 21 januari 2026
- Zaaknummer
- 23/1569
Inhoudsindicatie
Artikel 29 en 31 Wet OB. Verzoeken om teruggaaf van OB zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze niet binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend. Geen verschoonbare termijnoverschrijding.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1569
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
Gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 september 2023, nummer BRE 22/2504, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
Belanghebbende heeft over het eerste kwartaal van 2013 om een teruggaaf van € 98.000 aan omzetbelasting verzocht. De inspecteur heeft bij beschikking van 11 april 2018 de verzoeken niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
De zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens belanghebbende, [bestuurder] , bestuurder, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2 Feiten
Belanghebbende is onderdeel van een concern waarbij [bestuurder] bestuurder dan wel (indirect) directeur-grootaandeelhouder is van alle vennootschappen. Tot het concern behoort onder meer ook [A BV] , voorheen [B BV] ( [B BV] ).
Belanghebbende heeft in de jaren 2010 tot en met 2012 facturen voor managementfees en huur verzonden aan [B BV] . Op de facturen staat omzetbelasting (OB) vermeld. De facturen zijn niet betaald.
Belanghebbende heeft in de ingediende kwartaalaangiften OB over de jaren 2010, 2011 en 2012 geen omzet en geen verschuldigde OB aangegeven. Belanghebbende heeft verklaard dat zij het kasstelsel heeft toegepast. [B BV] heeft de door belanghebbende gefactureerde OB in haar aangiften als voorbelasting in aftrek gebracht.
[B BV] is op 26 maart 2013 failliet verklaard.
Naar aanleiding van een boekenonderzoek zijn aan belanghebbende naheffingsaanslagen OB opgelegd over onder meer de jaren 2010 tot en met 2012 (de naheffingsaanslagen). Daarbij zijn de bedragen aan OB die zijn vermeld op de aan [B BV] gerichte facturen nageheven. Over de naheffingsaanslagen is geprocedeerd en deze zijn inmiddels definitief komen vast te staan (HR 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1196). Belanghebbende heeft de naheffingsaanslagen niet betaald.
Belanghebbende heeft verzoeken om teruggaaf van OB van in totaal € 98.000 ingediend wegens oninbare vorderingen op [B BV] .
De inspecteur heeft de verzoeken aangemerkt als een verzoek om teruggaaf over het eerste kwartaal van 2013 en wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Hij heeft de verzoeken vervolgens ambtshalve beoordeeld, maar daarin geen aanleiding gezien een teruggaaf OB te verlenen.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft, naar het hof begrijpt, het antwoord op de volgende vragen:
I. Heeft de inspecteur in strijd heeft gehandeld met artikel 10:3, lid 3, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)?
II. Is belanghebbende beperkt in haar mogelijkheden zich te verweren?
III. Zijn de verzoeken om teruggaaf terecht niet-ontvankelijk verklaard en zo nee, heeft belanghebbende recht op teruggaaf?
IV. Is de uitspraak van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd?
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de beschikking en tot verlening van de gevraagde teruggaaf. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.