Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3538, 23/1354 tot en met 23/1357
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3538, 23/1354 tot en met 23/1357
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 10 december 2025
- Datum publicatie
- 21 januari 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:5900, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 23/1354 tot en met 23/1357
- Relevante informatie
- Art. 7, lid 1 Wet OB 1968, Art. 11, lid 1, onderdeel b Wet OB 1968
Inhoudsindicatie
De verhuur van de werkkamer en de garage in de woning vormt een economische activiteit. De mogelijkheid dat de werkkamer en garage ook in privé worden gebruikt, staat niet in de weg aan de optie tot belaste verhuur. Omdat belanghebbende van meet af aan de intentie heeft gehad om een deel van de woning voor zakelijk gebruik te bestemmen en dit deel tegen vergoeding ter beschikking te stellen aan de vennootschap bestaat recht op aftrek van voorbelasting voor zover de woning voor belaste doeleinden wordt gebruikt.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/1354 tot en met 23/1357
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] [adres 1] te [vestigingsplaats] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 augustus 2023, nummers BRE 21/992 tot en met BRE 21/995, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
Belanghebbende heeft aangifte gedaan voor de omzetbelasting over de perioden november/december 2018, 2019, tweede kwartaal 2020 en derde kwartaal 2020 en daarbij verzocht om teruggaven van € 10.299 (november/december 2018), € 13.899 (2019), € 4.295 (tweede kwartaal 2020) en € 1.633 (derde kwartaal 2020). De inspecteur heeft bij beschikkingen van respectievelijk 10 juli 2020 (november/december 2018 en
2019), 2 oktober 2020 (tweede kwartaal 2020) en 13 november 2020 (derde kwartaal 2020)
besloten niet aan de verzoeken tegemoet te komen.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft op 23 juli 2025 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
De zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
2 Feiten
Belanghebbende is een samenwerkingsverband dat wordt gevormd door [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 3] (hierna: [naam 3] ).
[naam 1] is als advocaat werkzaam bij [de vennootschap]
(hierna: de vennootschap). Hij bezit tevens alle aandelen in de vennootschap. De
vennootschap is gevestigd op het adres [adres 2] te [plaats] en beschikt daar over
een kantoorruimte.
[naam 1] en [naam 3] hebben in 2018 grond gekocht aan de [adres 1] te
[vestigingsplaats] waarop zij een woning hebben laten bouwen (hierna: de woning). Zij zijn
ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning en wonen er sinds 2020.
Onderdeel van de woning is een kantoorruimte (hierna: werkkamer) en een
garage/bergingsruimte (hierna: garage). De werkkamer is bereikbaar via de deur in de
centrale hal en ook via de deur naar de inpandige garage. Naast die deur beschikt de garage
over een garagedeur voor de auto en een eigen uitgang naar buiten.
Belanghebbende verhuurt met ingang van 1 oktober 2020 de werkkamer en de
garage aan de vennootschap. De jaarhuur bedraagt € 8.400, exclusief omzetbelasting. In de
huurovereenkomst is een huurperiode van vijf jaar en daarnaast een optie tot verlenging van
de huurperiode met vijf jaar opgenomen. In de huurovereenkomst staat verder dat de
verhuur vanaf de aanvang is belast met omzetbelasting. In de werkkamer verricht
[naam 1] met regelmaat werkzaamheden voor de vennootschap. In de garage wordt de
auto van de zaak gestald en worden stukken van de vennootschap opgeslagen. Daarnaast
wordt de garage privé gebruikt. Tussen partijen is niet in geschil dat de garage voor 79% zakelijk wordt gebruikt.
Belanghebbende heeft aangiften omzetbelasting ingediend over onder meer de tijdvakken november/december 2018, 2019, tweede kwartaal 2020 en derde kwartaal 2020. Zij heeft daarbij de volledige voorbelasting op de bouwkosten van de werkkamer en 79% van de voorbelasting op de bouwkosten van de garage in aftrek gebracht. Volgens de aangiften bedragen de hieruit resulterende teruggaven € 10.299 (november/december 2018), € 13.899 (2019), € 4.295 (tweede kwartaal 2020) en € 1.633 (derde kwartaal 2020).
De inspecteur heeft op respectievelijk 10 juli 2020 (november/december 2018 en
2019), 2 oktober 2020 (tweede kwartaal 2020) en 13 november 2020 (derde kwartaal 2020)
de beschikkingen geen teruggaaf vastgesteld.
De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de beschikkingen gehandhaafd. De rechtbank heeft de uitspraken op bezwaar bevestigd.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vragen:
- of de verhuur van de werkkamer en de garage een economische activiteit vormt;
- of een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de bouw van de werkkamer en de garage en de economische activiteit;
- of de verhuur belast is dan wel vrijgesteld.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraken op bezwaar en van de beschikkingen en tot verlening van de gevraagde teruggaven. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
Voor zover het hof tot het oordeel komt dat belanghebbende recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting, is de berekening daarvan tussen partijen niet in geschil.