Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3541, 24/428
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3541, 24/428
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 10 december 2025
- Datum publicatie
- 21 januari 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:1107, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 24/428
Inhoudsindicatie
Artikel 11, lid 1, onderdeel k, Wet OB. Belanghebbende, een ondernemingspensioenfonds, verricht handelingen ter zake van verzekering. Het theoretische risico dat ingeval van geen voorafgaande betaling van premie wel een uitkering verstrekt moet worden, wijzigt deze kwalificatie niet.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/428
Uitspraak op het hoger beroep van
Stichting [belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 22 februari 2024, nummer 21/4819, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft aan belanghebbende een teruggaaf van omzetbelasting verleend over het tweede kwartaal van 2020.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
De zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , als gemachtigden van belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen ter beschikking wordt gesteld.
2 Feiten
Belanghebbende is een ondernemingspensioenfonds. Volgens het uittreksel van
het Handelsregister zijn haar activiteiten die van ‘beleggingsinstellingen met beperkte
toetreding’ en een ‘pensioenfonds’. Volgens haar statuten heeft zij ‘ten doel het uitvoeren
van Pensioenovereenkomsten conform deze Statuten en het aan de pensioenrechten en
pensioenaanspraken ten grondslag liggende Pensioenreglement alsmede de uitvoering van
andere uit het Pensioenreglement voortvloeiende uitkeringsovereenkomsten in relatie tot de
Pensioenovereenkomsten’.
Belanghebbende verzorgt de pensioenregeling voor (gewezen) werknemers van
veertien werkgevers die behoren tot het [A-concern] (de werkgever[s]). De uit te
voeren pensioenovereenkomsten worden gesloten in kader van de arbeidsovereenkomsten
tussen een aangesloten werkgever en werknemers. De pensioenregeling voorziet in een ouderdomspensioen, een partnerpensioen en een wezenpensioen. De pensioenregeling bestaat uit twee varianten: het Basispakket en het Beleggingspakket. Het Basispakket heeft het karakter van een uitkeringsovereenkomst, omdat de opbouw plaatsvindt op basis van een voorwaardelijk geformuleerde middelloonregeling. De diensttijd en het gemiddeld verdiende loon zijn bepalend voor de hoogte van de aanspraak. De vergoeding voor het Basispakket bestaat uit twee percentages van de gemaximeerde pensioengrondslag, namelijk een basispremie en een extra structurele premie. Bij het Beleggingspakket wordt de hoogte van het pensioen bepaald op de pensioeningangsdatum op basis van het dan met de ingelegde gelden en de daarmee behaalde beleggingsresultaten opgebouwd kapitaal. Dit pakket heeft het karakter van een premieovereenkomst in de zin van de Pensioenwet. Bij het Beleggingspakket is sprake van een beschikbare premie. Het Basispakket geldt voor deelnemers met een pensioengevend salaris van maximaal € 43.089. Het Beleggingspakket geldt voor het surplus aan pensioengevend salaris van een deelnemer, gemaximeerd op € 110.111.
Tot de gedingstukken behoren het door belanghebbende opgestelde
pensioenreglement waaraan de werkgevers zijn gebonden, een uitvoeringsovereenkomst
tussen belanghebbende en [A BV] als bedoeld in Hoofdstuk 3 van
de Pensioenwet, waarin de afspraken tussen belanghebbende en de werkgevers zijn
vastgelegd (de uitvoeringsovereenkomst), en de actuariële en bedrijfstechnische nota
(ABTN) van belanghebbende. Vergelijkbare uitvoeringsovereenkomsten zijn van toepassing tussen belanghebbende en de andere aangesloten werkgevers van het concern.
In de considerans van de uitvoeringsovereenkomst, onder c, is bepaald dat de
werkgever de uitvoering van de pensioenovereenkomsten onderbrengt bij belanghebbende.
Op grond van artikel 3 van de uitvoeringsovereenkomst is belanghebbende verplicht tot een
juiste, tijdige en volledige uitvoering van het pensioenreglement. In artikel 4 van de
uitvoeringsovereenkomst is opgenomen dat de door de werkgevers verschuldigde
kostendekkende premie (onder meer) bestaat uit een premie voor de aangroei van de
pensioenverplichting en een opslag voor de administratie- en uitvoeringskosten (de opslag). In artikel 7, tweede lid, van de uitvoeringsovereenkomst staat dat belanghebbende verplicht is de deelnemer binnen drie maanden na aanvang van het deelnemerschap te informeren over de inhoud van het pensioenreglement, de toeslagverlening (zie artikel 9, over jaarlijkse toeslagen op de pensioenrechten en -aanspraken ter grootte van de loonindex), het recht om het geldende pensioenreglement op te vragen, de mogelijkheid op vrijwillige basis deelnemer te zijn in een pensioenreglement, omstandigheden die betrekking hebben op de pensioenuitvoerder en het recht van de werknemer om bij de pensioenuitvoerder een verzoek in te dienen voor een berekening van de effecten van uitruil (van partnerpensioen naar extra ouderdomspensioen en omgekeerd) op zijn pensioenaanspraak.
De werkzaamheden van belanghebbende bestaan uit het innen en administreren
van de inkomende premiebetalingen, de communicatie met de deelnemers over hun
pensioen(opbouw), toezien op juiste pensioenuitkering en de zorg voor rapportages aan
externen.
In de aangifte over het onderhavige tijdvak is uitsluitend voorbelasting in aftrek
gebracht die betrekking heeft op de kosten van een actuaris om het risico van de
beleggingsportefeuille te bewaken. Van het totaalbedrag van deze kosten is alleen het
gedeelte van de voorbelasting in aftrek gebracht dat is toe te rekenen aan effectentransacties
aan afnemers die buiten de Europese Unie zijn gevestigd (€ 3.304). Voor dit bedrag heeft de inspecteur teruggaaf verleend.
Aan belanghebbende zijn over het tweede kwartaal 2020 kosten in rekening
gebracht in verband met aan haar verleende diensten (onder meer pensioenbeheer,
accountants-, actuariële en juridische diensten). Ter zitting van de rechtbank is komen vast te staan dat in deze kosten (naast het bedrag van € 3.304 waarvoor teruggaaf is verleend) een bedrag van € 17.011 aan btw (voorbelasting) is begrepen. Het bezwaar tegen de teruggaafbeschikking bepleit een teruggaaf van deze voorbelasting. De inspecteur en de rechtbank hebben deze teruggaaf geweigerd.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de dienst die belanghebbende aan de aangesloten werkgevers verricht, is belast met omzetbelasting. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij belaste administratieve uitvoeringshandelingen jegens de werkgevers verricht waarvoor de opslag de vergoeding vormt. De gelden die zij overigens ontvangt, zijn volgens haar enkel een financiële deelneming/inleg van de deelnemers in het pensioenfonds en als zodanig niet de vergoeding voor een prestatie. De aan haar in rekening gebrachte voorbelasting op uitvoeringskosten is, naar zij aanvoert, uitsluitend toerekenbaar aan handelingen waarvoor recht op vooraftrek bestaat. Belanghebbende betoogt voorts dat zij geen risico overneemt en dat de vereiste rechtsbetrekking met de deelnemers aan de pensioenregeling ontbreekt, zodat geen sprake is van een vrijgestelde dienst ter zake van verzekering. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de dienst wel een handeling ter zake van verzekering is en dus is vrijgesteld. De deelnemer heeft op basis van het pensioenreglement en de uitvoeringsovereenkomst tegenover de betaling van de premie een afdwingbaar recht jegens belanghebbende als het verzekerde risico zich voordoet. Het geschil is beperkt tot het Basispakket.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en tot verlening van een extra teruggaaf omzetbelasting van € 17.011.
De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.