Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3622, 23/1843
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3622, 23/1843
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 17 december 2025
- Datum publicatie
- 3 februari 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:7936, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 23/1843
- Relevante informatie
- Wet op de accijns [Tekst geldig vanaf 01-01-2026 tot 01-01-2027] art. 2, Art. 51 WA
Inhoudsindicatie
Naheffingsaanslag accijns. Art. 2 en art. 51 Wet op de accijns, art. 7 en art. 8 Richtlijn 2008/118/EG (Accijnsrichtlijn). Belanghebbende kan worden aangemerkt als degene die de onveraccijnsde sigaretten voorhanden heeft gehad, dan wel daarbij betrokken was. Van willekeur bij het opleggen van de naheffingsaanslag is geen sprake en evenmin van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hoger beroep ongegrond.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1843
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] , wonend in [plaats 1] (Duitsland),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 16 november 2023, nummer BRE 22/5992, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag accijns opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2 Feiten
Belanghebbende woonde in 2017 samen met zijn ouders en broer in de woning aan
[adres] te [plaats 2] .
Op 17 januari 2017 heeft een doorzoeking van die woning plaatsgehad. Tijdens die
doorzoeking zijn 75.800 stuks sigaretten aangetroffen die niet waren voorzien van een accijnszegel. De sigaretten zijn aangetroffen in een schuur grenzend aan de woning, in een koelcel in diezelfde schuur, in een kledingkast op de slaapkamer van de ouders van belanghebbende en in de woonkamer van de woning. Voor deze ruimten is geen vergunning verleend voor een accijnsgoederenplaats.
De naheffingsaanslag is met dagtekening 21 februari 2018 opgelegd voor een bedrag van € 13.763 wegens het voorhanden hebben van accijnsgoederen buiten een accijnsschorsingsregeling, wanneer over die goederen geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving in de zin van artikel 2, lid 1, letter b, Wet op de accijns (hierna: WA). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 84 belastingrente in rekening gebracht.
Op 24 maart 2021 en 1 april 2021 is op het perceel behorend bij de woning 1.192 kilogram respectievelijk 85 kilogram onveraccijnsde tabak aangetroffen. De inspecteur heeft belanghebbende in kennis gesteld dat hij een naheffingsaanslag accijns gaat opleggen. Uiteindelijk heeft de inspecteur van het opleggen van een naheffingsaanslag afgezien, omdat er onvoldoende bewijs was dat belanghebbende degene was die de tabak voorhanden had dan wel daarbij betrokken was. Belanghebbende woonde ten tijde van het aantreffen van de tabak niet meer in de woning.
3 Geschil en conclusies van partijen
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil:
- -
-
i) of belanghebbende de accijnsgoederen voorhanden heeft gehad dan wel betrokken was bij het voorhanden hebben ervan als bedoeld in artikel 51, eerste lid, aanhef en onderdeel b, WA,
- -
-
ii) of het willekeurverbod is geschonden bij het opleggen van de naheffingsaanslag, en
- -
-
iii) of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden bij het opleggen van de naheffingsaanslag.
Voor het geval de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd, is de berekening van de naheffingsaanslag en de rentebeschikking niet in geschil.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissing over de vergoeding van immateriële schade, de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag en de rentebeschikking en tot toekenning van een (proces)kostenvergoeding. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.