Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3625, 24/251 en 24/252

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3625, 24/251 en 24/252

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17 december 2025
Datum publicatie
3 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:3625
Formele relaties
Zaaknummer
24/251 en 24/252
Relevante informatie
Wet inkomstenbelasting 2001 [Tekst geldig vanaf 01-01-2026 tot 01-01-2027] art. 3.95b, Art. 2.6 Wet IB 2001, Art. 4.6 Wet IB 2001, Art. 4.43 Wet IB 2001, Art. 4.46 Wet IB 2001, Art. 16 AWR

Inhoudsindicatie

Belanghebbende is in 2016 en 2018 inwoner van Nederland en kiest in beide jaren voor partieel buitenlandse belastingplicht. Hij houdt via een buitenlandse vennootschap een lucratief belang en kiest voor de doorstootregeling. Het hof is, anders dan hof Amsterdam, van oordeel dat “inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten” in de zin van artikel 3.95b, lid 5, Wet IB 2001 en dat aan de voorwaarden voor de doorstootregeling is voldaan. Er vindt dus geen heffing ter zake van het lucratief belang plaats.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 24/251 en 24/252

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ( [land] ),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 januari 2024, nummer BRE 22/3569,

en op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 5 januari 2024, nummer BRE 22/3571,

in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2016 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de in 1.1 en 1.2 bedoelde belastingaanslagen en rentebeschikkingen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep met nummer BRE 22/3569, betreffende de navorderingsaanslag IB/PVV 2016, ongegrond verklaard en het beroep met nummer BRE 22/3571 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2018 vernietigd en de aanslag IB/PVV 2018 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 979.927 en de daarmee samenhangende rentebeschikking dienovereenkomstig verminderd. De rechtbank heeft nevenbeslissingen gegeven met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding, het griffierecht en de proceskosten.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op nummer BRE 22/3569 hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 24/251. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op nummer BRE 22/3571 hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 24/252. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op nummer BRE 22/3571, bij het hof bekend onder nummer 24/252. De inspecteur heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.

1.8.

De inspecteur heeft stukken ingezonden en daarbij een beroep gedaan op artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht.

1.9.

Het hof heeft de onderhavige zaken in handen gesteld van de geheimhoudingskamer van het hof.

1.10.

De geheimhoudingskamer heeft tussenuitspraak1 gedaan op 18 december 2024. De geheimhoudingskamer verstaat dat de door de inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding van delen van de in 1.8 bedoelde stukken gerechtvaardigd is en heeft de zaken verwezen naar de kamer die de hoofdzaak behandelt en het procesdossier in handen van die kamer gesteld.

1.11.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.

1.12.

De zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , als gemachtigden van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van [naam 1] en [naam 2] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Op deze zitting zijn beide zaken gelijktijdig behandeld.

1.13.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting twee pleitnota’s voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

1.14.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.15.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is in 2015 als CFO in dienst getreden bij [bedrijf 1] B.V. in Nederland.

2.2.

Belanghebbende heeft van 18 mei 2015 tot en met 2018 in Nederland gewoond.

2.3.

De inspecteur heeft een beschikking gegeven waaruit volgt dat belanghebbende met ingang van 1 augustus 2015 in aanmerking komt voor toepassing van de 30%-regeling2.

2.4.

Belanghebbende heeft uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij [bedrijf 1] B.V. geparticipeerd in het [plan] (hierna: [plan] ). Door deze participatie heeft belanghebbende op 23 december 2015 aandelen in [de holding] S.A. (hierna: de holding3) verkregen. De holding is gevestigd in [vestigingsplaats] . De aandelen in de holding vormen een aanmerkelijk belang in de zin van artikel 4.6 Wet IB 2001.

2.5.

De holding houdt aandelen in [bedrijf 2] S.A. De door belanghebbende middellijk gehouden aandelen in [bedrijf 2] S.A. kwalificeren als lucratief belang in de zin van artikel 3.92b Wet IB 2001.

2.6.

De holding heeft in 2016 € 2.499.999 dividend uitgekeerd aan belanghebbende en daarbij € 375.000 dividendbelasting ingehouden.

2.7.

Belanghebbende heeft, samen met andere participanten van [plan] , op 14 december 2016 een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst gesloten.

2.8.

Belanghebbende heeft op 8 mei 2017 aangifte IB/PVV 2016 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, zijnde belastbaar loon, van € 611.178 en daarbij gekozen4 voor toepassing van de regels voor buitenlandse belastingplichtigen.

2.9.

De aanslag IB/PVV 2016 is met dagtekening 3 augustus 2018, overeenkomstig de ingediende aangifte, vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 611.178.

2.10.

Op 15 maart 2018 zijn de door belanghebbende (indirect) gehouden aandelen in [bedrijf 2] S.A. verkocht. De verkoopprijs bedroeg € 22.720.895.

2.11.

Belanghebbende heeft op 30 april 2019 aangifte IB/PVV 2018 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, zijnde belastbaar loon, van € 979.927 en daarbij gekozen5 voor toepassing van de regels voor partieel buitenlandse belastingplichtigen.

2.12.

De inspecteur heeft op 26 augustus 2019 vanuit [bedrijf 1] het overzicht “ [bedrijf 1] [plan] - Overview of proceeds” ontvangen. In het overzicht zijn gegevens over de participatie van belanghebbende in [plan] vermeld. Het betreft de volgende gegevens:

Acquisition

Date

Sale

Date

Investment1

Total

Distributions2

Sale

Price

Total

Proceeds

Total Proceeds after investment

23-12-2015

28-9-2018

7.075.424

9.009.557

22.720.895

31.730.452

24.655.028

Distribution 2014

Distribution 2015

Distribution 2016 (...)

Distribution 2016 (...)

Distribution 2018 (...)

Total Distributions1

-

-

2.499.999

2.594.283

3.915.274

9.009.557

2.13.

De inspecteur heeft in het kader van de beoordeling van de aangiften IB/PVV 2016 en 2018 bij brief van 21 oktober 2019 vragen aan belanghebbende gesteld. Belanghebbende heeft daarop bij brief van 14 november 2019 gereageerd.

2.14.

De inspecteur heeft bij brief van 7 december 2021, met toelichting, aangekondigd dat hij een navorderingsaanslag IB/PVV 2016 zal opleggen. In de brief is vermeld dat de inspecteur zich op het standpunt stelt dat belanghebbende (middellijk) lucratief belang aandelen heeft en dat in verband daarmee in 2016 een bedrag van in totaal € 5.094.2826 dient te worden belast als resultaat uit overige werkzaamheden.

2.15.

De inspecteur heeft bij brief van 7 december 2021, met toelichting, aangekondigd van de ingediende aangifte IB/PVV 2018 af te gaan wijken. In de brief is vermeld dat de inspecteur zich op het standpunt stelt dat belanghebbende (middellijk) lucratief belang aandelen heeft en dat in verband daarmee in 2018 een bedrag van in totaal € 19.560.7457 dient te worden belast als resultaat uit overige werkzaamheden.

2.16.

De aanslag IB/PVV 2018 is met dagtekening 9 december 2021 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.540.672. Tevens is bij beschikking € 937.398 belastingrente in rekening gebracht.

2.17.

De navorderingsaanslag IB/PVV 2016 is met dagtekening 11 december 2021 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.705.460. Tevens is bij beschikking € 453.638 belastingrente in rekening gebracht.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil in het hoger beroep van belanghebbende met nummer 24/251 betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

  2. Is sprake van een nieuw feit in de zin van artikel 16 Algemene wet inzake rijksbelastingen?

  3. Heeft belanghebbende voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 3.95b, lid 5, Wet IB 2001 (hierna: de doorstootregeling)?

  4. Heeft de inspecteur het vertrouwensbeginsel geschonden?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2016. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op nummer BRE 22/3569.

3.3.

Het geschil in het hoger beroep van de inspecteur met nummer 24/252 betreft het antwoord op de volgende vraag:

c. Heeft belanghebbende voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de doorstootregeling?

3.4.

Het geschil in incidenteel hoger beroep van belanghebbende met nummer 24/252 betreft het antwoord op de volgende vraag:

d. Heeft de inspecteur het vertrouwensbeginsel geschonden?

3.5.

De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op nummer BRE 22/3571 en bevestiging van de uitspraak op bezwaar betreffende het jaar 2018. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op nummer BRE 22/3571.

3.6.

In hoger beroep is niet langer in geschil dat belanghebbende voor zowel 2016 als 2018 heeft gekozen voor toepassing van de doorstootregeling.8

4 Gronden

5 Beslissing