Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3631, 24/477 en 24/478

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3631, 24/477 en 24/478

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17 december 2025
Datum publicatie
3 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:3631
Formele relaties
Zaaknummer
24/477 en 24/478
Relevante informatie
Art. 27e AWR, Art. 55 AWR, Art. 67d AWR

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Inkomsten hennepkwekerij. In geschil is of de aanslag willekeurig is vastgesteld en of de inspecteur de beschikking belastingrente en de boetebeschikking terecht en tot een juist bedrag heeft gegeven. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een redelijke schatting en stelt het belastbaar inkomen uit werk en woning lager vast. De beschikking belastingrente wordt dienovereenkomstig verminderd, de boete is passend en geboden.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 24/477 en 24/478

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 28 februari 2024, zaaknummers BRE 22/4947 en 22/4948, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2019 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.

1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2019 ook een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van deze aanslag is belastingrente in rekening gebracht.

1.3.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de hiervoor vermelde aanslagen. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2019 gegrond verklaard en het bezwaar tegen de aanslag Zvw 2019 ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

1.7.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is op 6 juni 2019 aangehouden vanwege bedreiging met een vuurwapen van een persoon op 3 juni 2019. Vervolgens is zijn woning doorzocht, een strafrechtelijk onderzoek gestart en zijn gedurende dat onderzoek drie hennepkwekerijen aangetroffen.

2.2.

De inspecteur heeft op 5 maart 2020 aan de officier van justitie op grond van artikel 55 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) om gegevens van belanghebbende uit het strafrechtelijke onderzoek verzocht en een belastingcontrole ingesteld naar de aanvaardbaarheid van belanghebbendes aangifte(n) IB/PVV over onder meer het jaar 2019.

2.3.

De rechtbank heeft in de strafzaak op 26 februari 2020 – voor zover hier relevant - als volgt overwogen:

“Onder 5 en 6 is -kort gezegd- ten laste gelegd dat verdachte in de periode van 11 juli 2019 tot en met 31 juli 2019 in panden in [plaats] en/of [woonplaats] tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen hennep heeft geteeld en uit die woningen elektriciteit heeft weggenomen. Alhoewel het dossier aanwijzingen bevat dat verdachte betrokken was bij de hennepkwekerijen in [plaats] en [woonplaats] , zal de rechtbank verdachte van de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten vrij spreken. Verdachte is immers al op 6 juni 2019 aangehouden en zit sindsdien in voorlopige hechtenis. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat verdachte in de bij beide feiten ten laste gelegde periode van 11 juli 2019 tot en met 31 juli 2019 nog betrokken was bij of bemoeienis heeft gehad met die hennepkwekerijen.”

2.4.

De rechtbank heeft in de ontnemingsprocedure op eveneens 26 februari 2020 geoordeeld dat ondanks dat belanghebbende in de hoofdzaak niet strafrechtelijk is veroordeeld ter zake van het telen van hennep, hij toch voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door die persoon zijn begaan. Het totaal te ontnemen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt naar het oordeel van de rechtbank € 327.965,65. De rechtbank heeft dat voordeel gebaseerd op rapporten om het wederrechtelijk voordeel te bepalen, waarbij in die rapporten rekening is gehouden met opbrengsten uit een periode tot en met 31 juli 2019. De rechtbank heeft in het ontnemingsvonnis tevens vastgesteld dat de berekende opbrengst niet met anderen hoeft te worden gedeeld, omdat daar onvoldoende aanknopingspunten voor zijn.

2.5.

Het hoger beroep tegen het strafrechtelijke oordeel (2.3) is ingetrokken. Tegen het ontnemingsvonnis is hoger beroep ingesteld (zie hierna bij 2.10).

2.6.

Belanghebbende is met dagtekening 31 augustus 2020 uitgenodigd tot het doen van aangiften IB/PVV en Zvw 2019. Belanghebbende heeft een inkomen uit werk en woning van € 4.683 aangegeven.

2.7.

Met dagtekening 23 oktober 2020 heeft de inspecteur een voorlopige aanslag IB/PVV 2019 conform de aangifte IB/PVV 2019 opgelegd.

2.8.

Bij het opleggen van de onderhavige aanslagen heeft de inspecteur op basis van het rapport van 28 april 2021 (het controlerapport) € 334.854 aan resultaat uit overige werkzaamheden bijgeteld, resulterend in een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 339.537 en een bijdrage-inkomen van € 51.244.

2.9.

In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur wegens de in 2.3 vermelde strafrechtelijke vrijspraak fiscaal alsnog rekening gehouden met bij de hennepteelt gemaakte kosten en de redelijke schatting gestoeld op de rapporten wederrechtelijk verkregen voordeel en daarmee ook op het oordeel van de rechtbank in de ontnemingsprocedure (zie 2.4). Het inkomen verdiend met de hennepteelt is nader vastgesteld op € 327.965.

2.10.

De strafkamer van het hof heeft op 14 september 2023 uitspraak gedaan in de ontnemingsprocedure. Daarbij is het door belanghebbende wederrechtelijk verkregen voordeel uit de betrokkenheid bij hennepteelt geschat op in totaal € 119.820. Het hof heeft het voordeel van de hennepkwekerijen in aanmerking genomen, maar komt tot een lager voordeel dan de rechtbank mede door de naar het oordeel van het hof uit het dossier volgende betrokkenheid van derden. Ook gaat de strafkamer van het hof uit van een einddatum van de ontnemingsperiode van 6 juni 2019, zijnde het moment van de aanhouding en begin van de hechtenis. Het ontnemingsvonnis van het hof staat onherroepelijk vast.

2.11.

De rechtbank heeft op 28 februari 2024 het door belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep in de onderhavige zaken ongegrond verklaard en de aanslagen en rentebeschikkingen gehandhaafd. De rechtbank heeft de vergrijpboete met 10% verminderd in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Ter zitting bij het hof heeft belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat niet meer in geschil is dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Gelet daarop is ook niet in geschil dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Het geschil spitst zich verder toe op het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 willekeurig vastgesteld?

II. Heeft de inspecteur met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2019 de beschikking belastingrente en de boetebeschikking terecht en tot een juist bedrag gegeven?

Aangezien het primaire standpunt van belanghebbende niet kan leiden tot een vermindering van de aanslag Zvw 2019 en daarmee ook niet tot een vermindering van de opgelegde belastingrentebeschikking is het hoger beroep in zoverre ongegrond.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot een gegrond hoger beroep en tot een vermindering van de aanslag IB/PVV 2019 en de belastingrente en vergrijpboete. De inspecteur concludeert primair tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en subsidiair tot een bijtelling van € 239.641.

4 Gronden

5 Beslissing