Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3710, 24/417

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3710, 24/417

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24 december 2025
Datum publicatie
11 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:3710
Formele relaties
Zaaknummer
24/417
Relevante informatie
Verdrag Nederland - Luxemburg

Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft de inspecteur een adreswijziging gestuurd, maar de nadien opgelegde aanslag is nog naar het ‘oude’ adres verzonden. Het hof stelt vast dat de adreswijziging en de opgelegde aanslag elkaar ‘gekruist’ hebben. De aanslag is op de juiste wijze bekend gemaakt.

Belanghebbende beëindigt zijn dienstverband, en gaat kort daarna bij een buitenlandse dochteronderneming van zijn ‘oude’ werkgever een nieuw dienstverband aan. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een voortgezet dienstverband en belanghebbende geen recht heeft op aftrek elders belast inkomen.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/417

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] , destijds wonende te Curaçao,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 februari 2024, nummer 22/5460, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017 opgelegd (hierna: de aanslag). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is via Mijn Rechtspraak digitaal gedeeld met de inspecteur.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.7.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende woont in 2017 in Nederland en is werkzaam bij [A NV] . Als gevolg van de reorganisatie van de afdeling waar hij werkzaam is, komt de functie van belanghebbende te vervallen. Belanghebbende heeft ervoor gekozen om gebruik te maken van de opstapregeling in een sociaal plan. Als gevolg van deze keuze wordt de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd per 21 september 2017. In dat kader ontvangt belanghebbende een ontslagvergoeding van € 108.263, zijnde een bedrag van € 73.268 als ‘vergoeding opstapregeling’ en een bedrag van € 34.995 als vergoeding voor ‘afkoop hypotheekrentevergoeding’.

2.2.

In de laatste maanden van zijn dienstverband is belanghebbende (van 1 juli 2017 tot de beëindiging per 21 september 2017) door [A NV] . tewerkgesteld bij haar 100% dochteronderneming [A S.A.] . Belanghebbende heeft gedurende deze periode 32 dagen in Luxemburg gewerkt, het hieraan toerekenbare loon bedraagt € 27.887.

2.3.

Belanghebbende gaat op 29 september 2017 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (4 oktober tot 22 december 2017) aan met [A S.A.] . Deze arbeidsovereenkomst wordt twee maal verlengd en wordt op 30 september 2018 beëindigd.

Met ingang van 1 oktober 2018 ontvangt belanghebbende van het UWV een werkeloosheidsuitkering.

2.4.

Belanghebbende begint in 2021 een civielrechtelijke procedure tegen [A NV] . waarin hij verzoekt de arbeidsovereenkomst met [A NV] . te ontbinden, omdat daaraan nooit een rechtsgeldig einde is gekomen. Dit verzoek wordt afgewezen. Bij beschikking van 18 juni 2021 komt de kantonrechter tot het oordeel dat de werkzaamheden van 1 juli 2017 tot 21 september 2017 een ‘laatste tijdelijke klus’ waren voor [A NV] . en dat met de op 3 april 2017 gesloten overeenkomst daarna de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.

De daaropvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomst die belanghebbende heeft gesloten met [A S.A.] heeft niet tot gevolg dat sprake is van een voortgezet dienstverband met [A NV] .. Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat ook geen sprake is van opvolgend werkgeverschap tussen [A NV] . en [A S.A.] . In zijn uitspraak heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat belanghebbende op eigen initiatief en vrijwillig (gebruikmakend van een ‘royale vertrekregeling’) de arbeidsovereenkomst met [A NV] . heeft opgezegd omdat hij een eigen bedrijf wilde starten. De kantonrechter overwoog voorts dat bij de aanstelling bij [A S.A.] geen sprake was van dezelfde of soortgelijke werkzaamheden die in de kern gelijk waren.

Tegen de uitspraak van de kantonrechter is geen hoger beroep ingesteld waardoor deze onherroepelijk is geworden.

2.5.

Belanghebbende is in 2018 uitgenodigd om uiterlijk 1 mei 2018 de aangifte IB/PVV 2017 in te dienen. De gemachtigde heeft op 29 maart 2018 (in het kader van de uitstelregeling voor belastingconsulenten, de becon-regeling) uitstel gevraagd. Dit verzoek is door de Belastingdienst op 13 januari 2019 verwerkt, daarbij is uitstel verleend met één jaar tot 1 mei 2019.

2.6.

Namens belanghebbende is door zijn gemachtigde op 11 januari 2019 de aangifte IB/PVV 2017 ingediend (kort voor de toekenning door de inspecteur van het gevraagde uitstel). In de aangifte is opgave gedaan van € 190.643 aan Nederlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking (het salaris van [A NV] . tot 21 september 2017 ad € 82.380 plus de ontslagvergoeding ad € 108.263) en € 24.148 aan buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking (het salaris van [A S.A.] vanaf 4 oktober 2017). Na vermindering met een tweetal aftrekposten resteert een belastbaar inkomen van € 189.568. Belanghebbende verzoekt vervolgens om aftrek elders belast inkomen voor in totaal € 160.288, als volgt samengesteld:

- het gedeelte van het salaris van [A NV] . dat betrekking heeft op de periode 1 juli tot 21 september 2017 ad € 27.887;

- de van [A NV] . in 2017 ontvangen ontslagvergoeding ad € 108.263;

- het buitenlandse inkomen vanaf 4 oktober 2017 ad € 24.148, zijnde het van [A S.A.] ontvangen salaris.

2.7.

Met dagtekening 16 januari 2017 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB/PVV 2017 opgelegd, op basis waarvan hij een bedrag van € 9.634 ontvangt. Met dagtekening 15 maart 2019 is aan belanghebbende een nadere voorlopige aanslag opgelegd op basis waarvan hij een bedrag van € 66.058 ontvangt. In totaal heeft belanghebbende daarmee € 75.692 aan voorlopige teruggaven ontvangen.

2.8.

Belanghebbende is op 31 oktober 2020 voor zijn werkzaamheden aldaar, verhuisd naar Curaçao. Hij heeft bij de uitschrijving op 30 oktober 2020 bij de gemeentelijke Basisregistratie Personen een adres op Curaçao opgegeven ( [adres 1] te Curaçao).

2.9.

Bij mail van 4 november 2020 stuurt belanghebbende bewijsstukken van zijn uitschrijving uit de gemeentelijke Basisregistratie Personen aan de inspecteur, en verzoekt hij om toezending van poststukken naar het adres [adres 2] te [plaats] . In reactie daarop bevestigt de inspecteur op 12 november 2020 dat de correspondentie naar dit adres verzonden zal worden.

2.10.

In januari 2019 wordt de aangifte IB/PVV 2017 ingediend. Over deze aangifte zijn in de zomer van 2019 door de aanslagregelaar vragen gesteld, daarop is een mailwisseling met de gemachtigde gevolgd en is (nadere) informatie verstrekt. Op 5 november 2020 heeft de aanslagregelaar aan de gemachtigde medegedeeld dat besloten is om van de aangifte af te wijken. In de brief wordt aangekondigd: ‘Binnenkort ontvangt uw cliënt het aanslagbiljet waarop de afwijking van de aangifte van uw cliënt is verwerkt’. In de begeleidende mail is door de aanslagregelaar nog opgemerkt: ‘Ik zal geen voorkoming van dubbele belasting verlenen over het loon en de ontslagvergoeding die is ontvangen van [A NV] .’.

2.11.

Op 10 november 2020 wordt de aanslag vastgesteld, en als zodanig in het systeem van de Belastingdienst verwerkt. Op 15 november 2020 is de aanslag ‘fysiek aangemaakt’, hetgeen betekent dat het aanslagbiljet is geprint. Op 17 november 2020 is het (papieren) aanslagbiljet, geadresseerd aan door belanghebbende bij de gemeente opgegeven adres te Curaçao, aangeboden aan PostNL ter verzending.

2.12.

De aanslag, vastgesteld op 10 november 2020 en gedagtekend op 24 november 2020, is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 189.568 en resulteert in een te betalen bedrag van € 58.403. Zoals eerder medegedeeld bij brief van 5 november 2020 is daarbij afgeweken van de aangifte, in die zin dat alleen het bedrag van € 24.148 aan aftrek elders belast inkomen in aanmerking wordt genomen. Dit is het door [A S.A.] betaalde salaris voor de werkzaamheden vanaf 4 oktober 2017.

De andere twee door belanghebbende geclaimde bedragen (€ 27.887 aan salaris van [A NV] . over de periode 1 juli tot 21 september 2017 en € 108.263 door [A NV] . uitgekeerde ontslagvergoeding) worden niet als zodanig aangemerkt.

2.13.

Gelijktijdig met de aanslag wordt een bedrag van € 5.290 aan belastingrente in rekening gebracht, deze is berekend over de periode 1 juli 2018 tot en met 5 januari 2021.

2.14.

Belanghebbende neemt op 3 januari 2021 kennis van de opgelegde aanslag na raadpleging van zijn digitale dossier op ‘Mijn Belastingdienst’. Hij dient op dezelfde dag een bezwaarschrift in tegen deze aanslag.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil beperkt zich in hoger beroep (zo heeft belanghebbende desgevraagd bevestigd) tot het antwoord op de volgende vragen: is de aanslag tijdig opgelegd, heeft belanghebbende recht op een hogere aftrek elders belast inkomen dan het door de inspecteur in aanmerking genomen bedrag van bedrag van € 24.148, en is de belastingrente naar een te hoog bedrag opgelegd.

3.2.

Belanghebbende is van opvatting dat:

- de aanslag niet tijdig is opgelegd, meer in het bijzonder niet (tijdig) aan hem is bekend gemaakt;

- hij recht heeft op aftrek elders belast inkomen tot een totaal van € 160.288; en

- de belastingrente tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

3.3.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing