Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:141, 24/364
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:141, 24/364
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 21 januari 2026
- Datum publicatie
- 6 maart 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:1168, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 24/364
- Relevante informatie
- Art. 7.8 Wet IB 2001, Art. 8.9 Wet IB 2001, Art. 8.9a Wet IB 2001, Art. 21bis Uitv besl IB 2001, Art. 17 Verdrag Nederland-Duitsland, Art. 8:75 Awb, Art. 21bis Wet IB 2001, Art. 8.17 Wet IB 2001, Art. 8.8 Wet IB 2001, Wet IB 2001, Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Berlijn, 12-04-2012 [Tekst geldig vanaf 31-12-2025]
Inhoudsindicatie
Schumacker-rechtspraak. Uitspraak volgt lijn als uitgezet in eerdere uitspraken van het gerechtshof (ECLI:NL:GHSHE:2022:1569, ECLI:NL:GHSHE:2022:1571, ECLI:NL:GHSHE:2022:1574 en ECLI:NL:GHSHE:2025:3298). Belanghebbende komt niet in aanmerking voor uitbetaling van de heffingskorting. Beroep op vertrouwensbeginsel op grond van de Fiscale inlichtingen 2019 wordt afgewezen.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/364
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [plaats 1] (Duitsland),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 februari 2024, nummer BRE 22/6096, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) 2019 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de opgelegde aanslag en de belastingrentebeschikking. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
De zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de inspecteur.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende, geboren op [geboortedatum] 1952, heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in 2019 in Duitsland samen met haar partner met wie zij is gehuwd. De partner ontving in 2019 een WIA-uitkering van het UWV van € 30.811 en is aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
Belanghebbende is per 2018 gerechtigd tot een AOW-uitkering. Zij ontving in 2019 een AOW-uitkering van € 10.683. Dit is tevens haar wereldinkomen. Uit het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Berlijn, 12-04-2012, tekst 2019 (hierna: het Verdrag)1 volgt dat Duitsland over de AOW-uitkering belasting mag heffen.
De Belastingdienst heeft op www.belastingdienst.nl een toelichting op de aangifte voor het jaar 2019 gepubliceerd onder de naam ‘Fiscale informatie 2019’. In paragraaf 33.2.1, genaamd ‘Voorwaarden kwalificerende buitenlandse belastingplicht’ staat onder meer:
“U bent kwalificerend buitenlands belastingplichtige als u voldoet aan de volgende voorwaarden:
U woont in een EU-land, in Liechtenstein, Noorwegen, IJsland, Zwitserland of op Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
U betaalt over minimaal 90% van uw wereldinkomen loon- of inkomstenbelasting in Nederland.
Uw wereldinkomen is uw totale inkomen, dus zowel uit Nederland als uit andere landen.
U stuurt ons een inkomensverklaring van de belastingdienst van uw woonland.”
In paragraaf 33.2.1.2, genaamd ‘In Nederland belasting betalen over 90% van uw wereldinkomen’, staat onder meer:
“Voldoet u niet aan de 90%-eis, maar wel aan de overige voorwaarden? Dan bent u toch kwalificerend buitenlands belastingplichtige als u een pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering ontvangt en geen inkomstenbelasting in uw woonland betaalt.”
Op 29 april 2020 heeft belanghebbende een eerste aangifte IB 2019
gedaan. Met dagtekening 12 juni 2020 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag (teruggave) opgelegd, waarop een bedrag van € 1.268 aan heffingskorting werd uitbetaald. Het verzamelinkomen is daarbij vastgesteld op nihil en belanghebbende is aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
Belanghebbende heeft aan de inspecteur een inkomensverklaring van de Duitse belastingautoriteit (het Finanzamt [plaats 2] ) verstrekt waarin onder ‘Einkünfte, die nicht in den Niederlanden besteuert werden’ een inkomen (‘Renten und Sozialleistungen’) van € 10.683 is vermeld. Over dit inkomen heeft belanghebbende in Duitsland geen inkomstenbelasting betaald. Deze inkomensverklaring is door de Duitse belastingautoriteit op 11 mei 2020 afgegeven en is op 22 juni 2020 ontvangen door de inspecteur.
Op 2 februari 2021 heeft belanghebbende een (tweede) aangifte IB 2019 ingediend naar een verzamelinkomen van nihil. De AOW-uitkering van € 10.683 heeft belanghebbende aangemerkt als niet in Nederland belastbaar inkomen. Belanghebbende heeft aangegeven dat zij voldoet aan de voorwaarden om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te worden aangemerkt. Bij de vraag ‘Moest u inkomstenbelasting betalen in Duitsland?’ heeft belanghebbende ‘Nee’ aangekruist en bij de vervolgvraag ‘Betaalde u geen belasting omdat u een laag inkomen had?’ heeft belanghebbende ‘Ja’ aangekruist. Daarnaast heeft belanghebbende aangegeven dat zij voldoet aan de voorwaarden voor uitbetaling van de heffingskorting(en) en dat de bijzondere verhoging heffingskortingen van toepassing is.
Met dagtekening 19 februari 2021 is aan belanghebbende een tweede voorlopige aanslag (teruggave) opgelegd, waarop een bedrag van € 1.249 aan heffingskorting is uitbetaald. Het verzamelinkomen is vastgesteld op nihil en belanghebbende is aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
De inspecteur heeft belanghebbende op 10 februari 2022 een brief gestuurd waarin hij aangeeft naar aanleiding van de inkomensverklaring van plan te zijn af te wijken van de tweede aangifte. Omdat de AOW-uitkering op basis van het Verdrag in Duitsland is belast en niet in Nederland, voldoet belanghebbende volgens de inspecteur niet aan de voorwaarden voor toepassing van de kwalificerend buitenlandse belastingplicht en heeft belanghebbende geen recht op uitbetaling van de heffingskortingen.
Met dagtekening 18 maart 2022 heeft de inspecteur een aanslag IB 2019 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 0. Er zijn geen heffingskortingen aan belanghebbende toegekend. De aanslag concludeert tot het terugbetalen van de in de tweede voorlopige aanslag verleende teruggaaf van € 1.249 en in dat kader is tevens € 78 belastingrente in rekening gebracht (hierna: de belastingrentebeschikking).
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op uitbetaling van de heffingskorting, waarbij het geschil zich toespitst op de volgende deelvragen:
Kan belanghebbende als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt;
Zo nee, heeft de inspecteur uitlatingen gedaan, waarop belanghebbende gerechtvaardigd het vertrouwen kon ontlenen dat zij als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige zou worden aangemerkt;
Zo nee, heeft belanghebbende recht op uitbetaling van de heffingskorting op grond van het EU recht; en
Moet de belastingrentebeschikking worden vernietigd.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en uitbetaling van de heffingskorting voor een bedrag van € 961 (primair standpunt), danwel € 609 (subsidiair standpunt). Met betrekking tot de belastingrentebeschikking concludeert belanghebbende op grond van haar primaire standpunt tot vernietiging en met haar subsidiaire standpunt tot vermindering met het bedrag aan berekende belastingrente dat betrekking heeft op het bedrag van de voorlopige aanslag dat hoger is dan € 609. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.