Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:181, 23/1185 en 23/1186
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:181, 23/1185 en 23/1186
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 28 januari 2026
- Datum publicatie
- 17 maart 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:5106, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 23/1185 en 23/1186
- Relevante informatie
- Art. 14 WBRV, Art. 15a WBRV, Art. 1 BPB, BPB, Art. 14 WBR, Art. 15a WBR
Inhoudsindicatie
Artikel 14, lid 2 en artikel 15a, lid 4 Wbr
Belanghebbenden hebben woning 1 gekocht en geleverd gekregen. Voor het tijdstip van de levering van woning 1, hebben belanghebbenden woning 2, hun droomwoning gekocht. Belanghebbenden hebben woning 1 nooit bewoond, maar wilden het verlaagde tarief voor de overdrachtsbelasting toepassing (verkrijging woning als hoofdverblijf). Volgens het hof is het in de tussentijd verkrijgen van een droomwoning en de moeilijkheid omtrent het verkrijgen van een financiering geen onvoorziene omstandigheid waardoor belanghebbenden niet redelijkerwijs in staat zijn geweest om de eerste woning te gaan bewonen. Het verlaagd tarief van de overdrachtsbelasting is niet van toepassing. Partijen hebben in onderleg overleg overeenstemming bereikt over de waarde ten tijde van de verkrijging. Het hof volgt partijen in deze waarde.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/1185 en 23/1186
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbenden,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 juli 2023, nummers BRE 22/5834 en 23/1233, in het geding tussen belanghebbenden en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft naheffingsaanslagen overdrachtsbelasting opgelegd.
Belanghebbenden hebben bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
Belanghebbenden hebben tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, [belanghebbende 1] en [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , als gemachtigden van belanghebbenden en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
Op deze zitting zijn de zaken van belanghebbenden met de nummers 23/1185 en 23/1186 gelijktijdig behandeld.
Belanghebbenden hebben voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De pleitnota is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Belanghebbenden en de inspecteur hebben beide op 26 november 2025 een nader stuk ingediend. Het hof heeft vervolgens het vooronderzoek hervat en de nadere stukken via Mijn Rechtspraak met belanghebbenden en de inspecteur gedeeld.
Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2 Feiten
Belanghebbenden hebben op 15 september 2021 de woning aan de [woning 1] in [woonplaats] gekocht voor € 440.000. Op 29 december 2021 hebben belanghebbenden een omgevingsvergunning aangevraagd voor (onder meer) de bouw van een nieuwe dakkapel en de uitbreiding van een bestaande dakkapel voor deze woning.
Op 14 januari 2022 hebben belanghebbenden de woning aan de [woning 2] in [woonplaats] gekocht. De levering van deze woning aan belanghebbenden vond plaats op 18 februari 2022.
Op 7 februari 2022 hebben belanghebbenden elk de onverdeelde helft van het eigendom van de woning aan de [woning 1] , middels akte van levering, verkregen. Belanghebbenden hebben 2% overdrachtsbelasting (€ 8.800) op aangifte voldaan bij de verkrijging van deze woning, uitgaande van de koopsom van € 440.000. Bij de aangifte is een verklaring gevoegd waarin staat: “Ik verklaar stellig en zonder voorbehoud dat ik deze woning na verkrijging anders dan tijdelijk, als hoofdverblijf ga gebruiken (zelfbewoning).”. Op 18 februari 2022 hebben belanghebbenden de woning aan de [woning 1] weer te koop aangeboden. De woning is op 1 maart 2022 voor een bedrag van € 528.000 verkocht en de levering heeft plaatsgevonden op 21 april 2022.
De inspecteur legt met dagtekening 5 augustus 2022 de naheffingsaanslagen op naar een bedrag van € 16.720 aan beide belanghebbenden. De inspecteur heeft de verschuldigde overdrachtsbelasting berekend op 8% van € 528.000. De naheffingsaanslag is voor ieder 50% van (€ 42.240 minus € 8.800) = € 16.720.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:
Is het verlaagde tarief van 2% van artikel 14, lid 2, Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: Wbr) van toepassing op de verkrijging van de woning aan de [woning 1] in [woonplaats] ? Meer specifiek is in geschil of sprake is van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 15a, lid 4, Wbr?
Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vernietiging van de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en tot vergoeding van de door belanghebbenden gemaakte kosten in beroep en hoger beroep. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.