Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:182, 24/121

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:182, 24/121

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28 januari 2026
Datum publicatie
17 maart 2026
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:182
Formele relaties
Zaaknummer
24/121
Relevante informatie
Art. 67d AWR, Art. 3.65 Wet IB 2001

Inhoudsindicatie

Zakelijkheid rente. Hoogte van het fiscale boekresultaat met betrekking tot onttrekking woning. Vergrijpboete.

Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat een rentepercentage van 9% op de lening verkregen van zijn ouders zakelijk is. Verder stelt het hof waarde van de woning ten tijde van de onttrekking naar privé in goede justitie vast op € 350.000. Ten slotte is het hof van oordeel dat de rechtbank de vergrijpboete terecht heeft vernietigd.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/121

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 december 2023, nummer BRE 22/1238, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.

1.6.

Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk met bijlagen ingediend. Dit stuk is doorgestuurd naar de andere partij.

1.7.

De inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota in Mijn Rechtspraak geplaatst. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.

1.8.

De zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

1.9.

Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

1.10.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1

Op 1 juli 2014 is belanghebbende in dienst getreden als belastingadviseur bij een belastingadvieskantoor (hierna: het belastingadvieskantoor).

2.2.

Vanaf 1 januari 2015 tot en met 25 juni 2018 heeft belanghebbende met zijn ouders (hierna: de ouders) en zijn twee zussen (hierna: de zussen) geparticipeerd in de maatschap ‘ [de maatschap] ’ (hierna: de maatschap). De maatschap exploiteert een agrarische onderneming op het gebied van pluimvee (hierna: de onderneming). De locatie van de onderneming en de bijbehorende woning (hierna: de woning) is gelegen aan de [adres] te [woonplaats] . De tot de onderneming behorende onroerende zaken, inclusief de woning, waren eigendom van de vader van belanghebbende. De woning werd bewoond door de ouders, de zussen en belanghebbende.

2.3.

Op 11 juni 2015 heeft belanghebbende met de ouders een overeenkomst van geldlening gesloten om de woning te kunnen kopen (hierna: de lening). De leningsovereenkomst is op 22 september 2015 schriftelijk vastgelegd en heeft een looptijd van tien jaar met als ingangsdatum de datum van levering van de woning. De rentevergoeding is bepaald op 9% op jaarbasis en er geldt geen aflossingsplicht.

2.4.

De levering van de woning heeft plaatsgevonden op 26 november 2015. De aankoopprijs van de woning is € 315.000. Dit bedrag is de waarde van de woning in het economische verkeer op waardepeildatum 1 juni 2015, getaxeerd door [naam] van [A BV] in opdracht van belanghebbende. In de akte van levering staat dat de woning wordt opgeleverd vrij van gebruiksrechten, leeg en ontruimd, en dat het voortgezet gebruik van verkoper als zorgvuldig schuldenaar na het sluiten der koopovereenkomst tot aan de datum van aflevering wordt geacht geen wijziging te hebben gebracht in de staat van het verkochte. Tevens vermeldt de akte dat belanghebbende aan de ouders een voorkeursrecht verleent tot koop van de woning tegen een onderling door partijen vast te stellen koopsom, en dat dat voorkeursrecht bij overlijden van de ouders overgaat op de zussen. De ouders, de zussen en belanghebbende zelf zijn na 26 november 2015 in de woning blijven wonen.

2.5.

Belanghebbende heeft de woning geactiveerd als buitenvennootschappelijk vermogen op de balans van zijn aandeel in de maatschap en de lening gepassiveerd. Belanghebbende heeft de woning laten verbouwen voor een totaalbedrag van € 87.325. Het bedrag waarvoor de woning op de balans per 31 december 2017 was geactiveerd is € 369.767, bestaande uit de aankoopprijs van € 315.000, € 6.300 aan overdrachtsbelasting en € 87.325 aan investeringen, minus € 38.858 afschrijving.

2.6.

Op 23 februari 2018 heeft taxateur [taxateur 1] van [kantoornaam 1] (hierna: taxateur [taxateur 1] ) in opdracht van belanghebbende een taxatierapport uitgebracht waarin de marktwaarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2018, op basis van de staat en alle geldende omstandigheden op de inspectiedatum 22 januari 2018, is getaxeerd op € 275.000. Belanghebbende heeft dit taxatierapport gebruikt in een bezwaarprocedure tegen de WOZ-beschikking voor het jaar 2018 met betrekking tot de woning. Bij uitspraak op bezwaar van 22 mei 2018 is de WOZ-waarde van de woning conform het standpunt van belanghebbende verminderd van € 332.000 naar € 275.000.

2.7.

Op 25 juni 2018 heeft belanghebbende ‘ [de B.V.] ’ (hierna: de B.V.) opgericht en daarin zijn aandeel in de maatschap via een geruisloze inbreng als bedoeld in artikel 3.65 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) ingebracht met ingang van 1 januari 2018, met uitzondering van de woning en de lening. Belanghebbende heeft deze vermogensbestanddelen onttrokken aan het ondernemingsvermogen en overgebracht naar zijn privévermogen. Tussen partijen is niet in geschil dat de onttrekking per ultimo 2017 heeft plaatsgevonden. Het ter zake van de onttrekking geleden boekverlies heeft belanghebbende als volgt berekend:

Waarde woning per 1 januari 2018

€ 275.000

Vermindering 35% in verband met zelfbewoning1

- € 96.250

Onttrekkingswaarde ultimo 2017

€ 178.750

Boekwaarde 31-12-2017

- € 369.767

Boekverlies

€ 191.017

2.8.

Op 23 juli 2020 heeft belanghebbende een andere woning aangekocht, waarna hij (samen met zijn partner) naar deze woning is verhuisd.

Procesverloop

2.9.

Op 7 juli 2018 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2017 gedaan. Op 28 april 2019 heeft belanghebbende de aangifte aangepast (hierna: de aangifte). In de aangifte is een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 120.554 negatief, bestaande uit een verlies uit onderneming van € 183.632 en een bedrag van € 63.078 aan looninkomsten. Daarnaast heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 618 aangegeven.

2.10.

Naar aanleiding van de aangifte is contact geweest tussen de inspecteur en belanghebbende. In opdracht van de inspecteur heeft rijkstaxateur [rijkstaxateur] (hierna: de rijkstaxateur) een taxatiebeoordeling van het taxatierapport van taxateur [taxateur 1] gedaan en hierover op 9 november 2020 een rapport uitgebracht waarin de waarde in het economische verkeer van de woning per waardepeildatum 1 januari 2018 is getaxeerd op € 392.000.

2.11.

Op 24 november 2020 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2017 (hierna: de aanslag) opgelegd. Daarbij heeft hij tevens bij beschikking een (ondernemings)verlies van € 8.820 uit voorgaande jaren verrekend (hierna: de verrekeningsbeschikking). Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt vastgesteld:

Aangegeven verlies uit onderneming

- € 183.632

Correctie A: rentepercentage lening woning 4,5% (€ 14.458) i.p.v. 9% (€ 28.917); minus 14% MKB-winstvrijstelling

+ € 12.434

Correctie B: waarde woning € 392.000 i.p.v. € 275.000; geen vermindering zelfbewoning 35% (€ 96.250); minus 14% MKB-winstvrijstelling

+ € 183.395

Aangegeven looninkomsten

+ € 63.078

Verrekend ondernemingsverlies uit voorgaande jaren

- € 8.820

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 66.456

2.12.

Bij de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een vergrijpboete op grond van artikel 67d Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) opgelegd van € 12.404 ( 50% van de IB/PVV over het inkomen uit werk en woning van € 75.276 (= belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.456 + verrekend ondernemingsverlies uit voorgaande jaren van € 8.820).

2.13.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. In het kader van de bezwaarprocedure heeft belanghebbende de woning opnieuw laten taxeren door makelaar-taxateur [taxateur 2] (hierna: [taxateur 2] ). In zijn taxatierapport van 12 juli 2021 is de marktwaarde van de woning, vrij van pacht, huur en gebruik door derden, per waardepeildatum 1 januari 2018 getaxeerd op € 300.000. De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

2.14.

De rechtbank heeft geoordeeld dat:

(i) de rente op de lening door de inspecteur juist is vastgesteld op 4,5%;

(ii) de woning, conform het standpunt van belanghebbende, geëtiketteerd dient te worden als ondernemingsvermogen;

(iii) de onttrekking van de woning tot een boekverlies leidt van € 32.017, op basis van de volgende uitgangspunten:

a. De beginwaarde van de woning dient op grond van de foutenleer aangepast te worden met € 110.250 (= 35% * € 315.000);

b. De woning heeft eind 2017 een waarde van € 350.000;

c. Op deze eindwaarde mag volgens het Besluit een waardevermindering in verband met zelfbewoning van 35% worden toegepast.

(iv) de inspecteur niet aan zijn bewijslast heeft voldaan te doen blijken dat belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen of nalaten tot gevolg zou hebben dat te weinig belasting geheven zou worden.

2.15.

De rechtbank heeft vervolgens de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.620 (voor verrekening van verliezen uit voorgaande jaren) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 618 en de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd. Tevens heeft de rechtbank de verliesverrekeningsbeschikking gehandhaafd en de boetebeschikking vernietigd. Ook heeft de rechtbank bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden en de inspecteur veroordeeld tot betaling van € 631,76 aan proceskosten aan belanghebbende.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de rente op de lening door de inspecteur juist is vastgesteld op 4,5% (hoger beroep belanghebbende)?

2. Wat is het fiscale boekresultaat met betrekking tot de onttrekking van de woning (hoger beroep belanghebbende en incidenteel hoger beroep inspecteur)?

3. Is de vergrijpboete terecht door de rechtbank vernietigd (incidenteel hoger beroep inspecteur)?

In hoger beroep is niet meer in geschil dat de woning geëtiketteerd dient te worden als ondernemingsvermogen en dat op de eindwaarde van de woning volgens het Besluit een waardevermindering in verband met zelfbewoning van 35% mag worden toegepast.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag conform de aangifte. De inspecteur concludeert tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.278 en een vergrijpboete van € 10.207.

4 Gronden

5 Beslissing