Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:183, 24/171

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:183, 24/171

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28 januari 2026
Datum publicatie
17 maart 2026
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:183
Formele relaties
Zaaknummer
24/171
Relevante informatie
Art. 6:161 BW, Art. 3.92 Wet IB 2001, Art. 8:75 Awb

Inhoudsindicatie

Afwaardering onzakelijk lening voor de winst uit onderneming, dan wel resultaat overige werkzaamheden. Belanghebbende dreef een onderneming (een supermarkt) in de vorm van een besloten vennootschap. Hij had een rekening-courantschuld aan deze vennootschap. Deze rekening-courantschuld is omgezet in een achtergestelde lening.

De onderneming is door de vennootschap overgedragen aan belanghebbende in privé. De overnamesom bedroeg € 445.170 negatief. De vennootschap is deze overnamesom schuldig gebleven. In deze overnamesom was de vordering van belanghebbende op de vennootschap verdisconteerd. De onderneming is door belanghebbende in de vorm van een eenmanszaak voortgezet. Belanghebbende heeft in 2017 de vordering op de vennootschap afgewaardeerd en als verlies uit onderneming in aanmerking genomen. In geschil is de zakelijkheid van de verstrekte lening aan de vennootschap en of de afwaardering daarvan ten laste van het inkomen in box 1 kan worden gebracht. Het hof oordeelt dat de lening niet onder zakelijke omstandigheden tot stand is gekomen. De afwaardering kan niet ten laste van de winst, dan wel het resultaat worden gebracht.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/171

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 december 2023, nummer BRE 21/2955 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde, [gemachtigde] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

1.6.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende was van 29 maart 2006 tot en met 1 december 2017 directeur en enig aandeelhouder van [b.v.] (hierna: de vennootschap). De vennootschap exploiteerde een supermarkt onder de [supermarkt 1] formule.

2.2.

Omdat de vennootschap in een slechte financiële positie verkeerde, heeft belanghebbende in 2012 een bedrag van € 368.263 vanuit zijn privé vermogen naar de vennootschap overgemaakt. Dit bedrag is als schuld in rekening-courant in de jaarrekening van de vennootschap verwerkt. Van deze rekening-courantschuld is geen schriftelijke overeenkomst opgesteld.

2.3.

Eind 2013 wordt voor de exploitatie van de supermarkt overgegaan naar de [supermarkt 2] formule. De rekening-courantschuld aan belanghebbende die op dat moment € 364.808 bedroeg, is op verzoek van [supermarkt 2] omgevormd naar een achtergestelde lening. Met betrekking tot deze lening is op 7 maart 2014 een overeenkomst opgemaakt. Hierin staat, voor zover hier van belang, vermeld:

“Artikel 1 Schuldomzetting

1. Schuldeiser doet hierbij, doch met ingang van 31 december 2013 ten aanzien van het hierna te noemen bedrag afstand van haar rekening courant vordering op Schuldenaar.

2. De rekening courant schuld van Schuldenaar aan Schuldeiser wordt per gelijke datum voor het een bedrag ad € 364.808 (zegge: driehonderdvierenzestigduizend achthonderd en acht euro's) omgezet in een schuld ten titel van geldlening, dat in het hierna volgende zal worden aangeduid als "de geleende som", welke geacht wordt per voornoemde datum voor Schuldenaar beschikbaar te zijn.

Artikel 2 Rentevergoeding

1. Over de geleende som, althans over het nog niet afgeloste gedeelte daarvan, is Schuldenaar vanaf de in artikel 1 aangeduide datum aan Schuldeiser een naar tijdsgelang te berekenen jaarlijkse rente van 4 procent verschuldigd.

(…)

4. De rentevergoeding zal pas daadwerkelijk worden uitgekeerd indien het eigen vermogen van de Schuldenaar minimaal € 100.000 bedraagt. Tot die tijd zal de rente bij de lening worden bijgeschreven.

(…)

Artikel 3 Duur en Aflossing van de geleende som

1. De overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en de geleende som behoeft niet te worden afgelost voordat Schuldeiser teruggave van de geleende som vordert. Partijen zullen alsdan een aflossingsschema overeenkomen.

(…)

Artikel 7 Zekerheden

1. Positieve Pandverklaring: Schuldenaar verbindt zich op eerste afroep van Schuldeiser, tot zekerheid voor de voldoening van de hoofdsom, rente, alle kosten die uit hoofde van deze overeenkomst ten laste van de Schuldenaar komen, en al hetgeen ingevolge de bepalingen dezer akte door de Schuldenaar aan de Schuldeiser verschuldigd is of verschuldigd zal worden, ten behoeve van Schuldeiser bij onderhandse geregistreerde akte een bezitloos pandrecht van zo hoog mogelijke rang te vestigen, op alle thans en in de toekomst tot haar bedrijf behorende bedrijfsinventaris, bedrijfsauto's, overige vaste bedrijfsmiddelen en voorraden. Schuldenaar zal tevens bij geregistreerde onderhandse akte ten behoeve van Schuldeiser een stil pandrecht vestigen op alle inventaris, voorraden en huidige en toekomstige vorderingen op (handels)debiteuren.”.

2.4.

Ultimo 2016 had de vennootschap in de vorm van een achtergestelde lening een schuld ter grootte van € 387.380 aan belanghebbende. Aanvullend had de vennootschap dat moment een rekening-courantvordering op belanghebbende ter grootte van € 67.754, resulterend onder verrekening in een netto schuldpositie van € 319.626.

2.5.

Per 1 januari 2017 heeft de vennootschap de onderneming overgedragen aan belanghebbende. Belanghebbende heeft de onderneming voortgezet in de vorm van een eenmanszaak. Met betrekking tot deze overdracht is op 16 mei 2017 een akte van bedrijfsoverdracht overeengekomen. De akte vermeldt, onder meer, het volgende:

“Artikel 7. Betaling

Koper en verkoper van zijn overgekomen dat verkoper de in artikel 6 genoemde koopsom schuldig zal blijven. Over de aflossing, zekerheid en de te vergoeden rente zullen nadere afspraken worden gemaakt.”.

2.6.

De verkoopprijs van de onderneming bedroeg € 438.337 negatief. De vennootschap is deze verkoopprijs aan belanghebbende schuldig gebleven. Dit bedrag, vermeerderd met een bedrag van € 6.793 aan rente, dus totaal € 445.170, staat als vordering op de balans van de eenmanszaak en als schuld op de balans van de vennootschap. In dit bedrag is verdisconteerd het bedrag van € 387.380 (zie 2.4). Blijkens de overnamebalans per 1 januari 2017 is het bedrag van € 445.170 als volgt tot stand gekomen:

Activa

Passiva

Immateriële vaste activa

Kortlopende schulden

Goodwill

- 518.000

Schulden aan kredietinstellingen

- 142.266

Voorfinanciering [supermarkt 2]

- 70.750

Renteloze lening [supermarkt 2] I

- 40.600

Materiele vaste activa

Renteloze lening [supermarkt 2] II

- 45.940

Afbouw

- 122.094

Renteloze lening [supermarkt 2] III

- 146.584

Inventaris

- 32.885

Lening aandeelhouder

- 319.626

Crediteuren

- 690.808

Financiële vaste activa

Te betalen loonbelasting

- 24.444

Inleggeld [supermarkt 2]

- 5.000

Overige schulden

- 30.322

Waarborgsom huur

- 14.652

Kredietspaarrekening [supermarkt 2]

- 114.950

Vlottende activa

Voorraden

- 200.391

Kortlopende vorderingen

Vordering omzetbelasting

- 7.632

Debiteuren

- 10.087

Rekening-courant directie

0

Overige vorderingen

- 28.927

liquide middelen

liquide middelen

- 718

Overige liquide middelen

- 10.294

Totaal activa

- 1.066.170

Totaal passiva

- 1.511.340

Koopsom onderneming: - € 445.170

2.7.

De vennootschap is per 1 december 2017 geliquideerd.

2.8.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2017 aangifte IB/PVV gedaan naar een verzamelinkomen van € 384.404 negatief. Het verlies uit onderneming wordt veroorzaakt door de afwaardering van de vordering op de vennootschap ter grootte van € 445.170. Onder vermindering van de MKB-vrijstelling van 14% wordt in de aangifte ter zake van deze onïnbare vordering opgenomen een aftrekpost van € 391.415. Het verlies uit aanmerkelijk belang in de aangifte bedraagt € 18.000 negatief.

2.9.

Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV voor 2017 is de inspecteur afgeweken van de ingediende aangifte. Hierbij is de afwaardering van de vordering in box 1 geschrapt. Het verlies uit aanmerkelijk belang is verhoogd met het bedrag aan afwaardering van de verstrekte lening. De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.011 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 337.626 negatief. Het bedrag van € 337.626 is het saldo van de vordering van belanghebbende op de vennootschap ter grootte van € 387.380, verminderd met de rekening-courant schuld van belanghebbende aan de vennootschap (€ 67.754) en vermeerderd met het bedrag aan gestort kapitaal (€ 18.000). Tevens is bij beschikking € 378 belastingrente in rekening gebracht. Het verzamelinkomen bedraagt € 312.615 negatief.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de vordering van € 445.170 (zie 2.6) onder zakelijke voorwaarden tot stand is gekomen. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

i) Kan de afwaardering van de hiervoor genoemde vordering ten laste van het resultaat voor de winst uit onderneming van belanghebbende worden gebracht?

ii) Kan de afwaardering van de hiervoor genoemde vordering ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden van belanghebbende worden gebracht?

iii) Kan van de afwaardering van de hiervoor genoemde vordering het bedrag € 319.626 ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden van belanghebbende worden gebracht?

iv) Heeft de inspecteur gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair het belastbaar inkomen uit

werk en woning over het jaar 2017 vast te stellen op € 366.404 negatief en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vast te stellen op € 18.000 negatief (conform de ingediende

aangifte), resulterend in een verzamelinkomen van € 384.404 negatief. Subsidiair concludeert belanghebbende het belastbaar inkomen uit werk en woning vast te stellen op € 366.739 negatief en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vast te stellen op € 18.000 negatief, resulterend in een verzamelinkomen van € 384.739. Meer subsidiair concludeert belanghebbende het belastbaar inkomen uit werk en woning vast te stellen op € 256.260 negatief en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vast te stellen op € 143.544 negatief, resulterend in een verzamelinkomen van € 399.804 negatief. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

5 Beslissing