Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 04-02-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:236, : 23/1057
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 04-02-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:236, : 23/1057
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 4 februari 2026
- Datum publicatie
- 24 maart 2026
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:236
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:4118, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- : 23/1057
Inhoudsindicatie
AB-houder emigreert naar Zuid-Afrika en de feitelijke leiding van de BV blijft in Nederland. De inspecteur heeft geen conserverende aanslag opgelegd. Vervolgens wordt de BV ruim tien jaar later ambtshalve ontbonden door de KvK. De inspecteur heeft daarna een aanslag IB opgelegd wegens (fictieve) afkoop of vervreemding van een pensioenaanspraak (box 1) en inkomsten uit aanmerkelijk belang (box 2). De aanslag is opgelegd binnen de daarvoor bestaande termijn. Aannemelijk is dat de waarde van de pensioenaanspraak is genoten door verrekening van de vordering van de BV op belanghebbende. Ook is aannemelijk gemaakt dat de resterende vordering van de BV door belanghebbende als dividend is genoten.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1057
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
voorheen wonend in [plaats 1] (Zuid-Afrika), thans wonend in [plaats 2] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 juni 2023, nummers BRE 20/5553, 20/5944 en 20/5945, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2015 opgelegd (hierna: aanslag IB 2015). Ook is bij beschikking belastingrente en revisierente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is doorgestuurd naar de inspecteur.
De zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2024 in ’s-Hertogenbosch. Voorafgaand de zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende schriftelijk laten weten dat hij niet zal verschijnen. Namens de inspecteur zijn verschenen [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende is geboren op [datum] 1960 en woonde vanaf 4 maart 2002 tot en met 27 december 2021 in Zuid-Afrika.
Belanghebbende hield tot 14 april 2009 100% van de aandelen in [bedrijf 1] B.V. (hierna: de BV) en vanaf 14 april 2009 10% van de aandelen in de BV.
De inschrijving van de BV in het handelsregister is op 14 juni 2012 door Kamer van Koophandel (hierna: KvK) ambtshalve doorgehaald wegens opheffing van de vestiging. De KvK heeft de BV op 22 mei 2015 ontbonden.1
In een uittreksel van het handelsregister van de KvK van 27 mei 2016 staan, voor zover relevant, de volgende gegevens uit de jaarrekening over de boekjaren 2008, 2009 en 2010. Daarna zijn geen jaarstukken meer gedeponeerd:
|
Boekjaar |
2010 |
2009 |
2008 |
|
Balansdatum (...) |
31-12-2010 |
31-12-2009 |
31-12-2008 |
|
Vorderingen (...) |
730.246 |
731.698 |
841.187 |
|
Totaal activa |
855.457 |
843.108 |
841.588 |
|
Overige reserves (...) |
766.533 |
758.682 |
745.079 |
|
Voorzieningen (...) |
63.672 |
63.672 |
65.493 |
|
Totaal passiva |
855.457 |
843.108 |
841.588 |
Belanghebbende heeft, na daartoe door de inspecteur te zijn uitgenodigd op 29 februari 2016 en te zijn herinnerd op 5 augustus 2016, op 7 september 2016 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting over het jaar 2015 (nihilaangifte).
De inspecteur heeft belanghebbende op 8 mei 2017 om informatie verzocht en op 19 juni 2017 een informatiebeschikking aan belanghebbende opgelegd. Het door belanghebbende hiertegen gemaakte bezwaar en het daarna ingestelde beroep zijn ongegrond verklaard. Op 6 september 2018 heeft belanghebbende de door de inspecteur gevraagde informatie verstrekt.
De inspecteur heeft op 6 september 2018 aan belanghebbende het voornemen kenbaar gemaakt om van de aangifte af te wijken. De inspecteur heeft in een brief van 10 oktober 2018 aan belanghebbende geschreven dat hij geen reactie op dit voornemen had ontvangen en, in verband met het verstrijken van de termijn voor het vaststellen van de aanslag ter behoud van rechten, de aanslag in afwijking van de aangifte had vastgesteld. In de brief van de inspecteur staat:
“(...) Volgens de VPB-aangifte van de BV over 2009 staat op de fiscale balans per 31 december 2009 een pensioenvoorziening van € 63.672.
De BV heeft over 2010 en de volgende jaren geen VPB-aangifte ingediend (...) Uitgaande van de waarde van de pensioenaanspraak op de fiscale balans van de BV per 31 december 2009 van € 63.672 stel ik de waarde in het economisch verkeer van de aanspraak en het belastbare bedrag op (minimaal) € 130.000.
Per 31 december 2009 was de schuld aan de BV € 713.319 en waren de winstreserves € 760.956. De BV heeft over 2015 geen aangifte VPB gedaan. Nu ook verder geen stukken door u zijn overgelegd met betrekking tot onder meer de schuld aan de BV, stel ik mij op het standpunt dat op het tijdstip van de ontbinding van de BV per 22 mei 2015 de vordering op de aandeelhouder nog aanwezig was. (...)
De schuld was volgens de Vpb-aangifte per 31 december 2009 € 713.319 (...) Bij ontbinding van de BV is de schuld aan de BV kennelijk niet afgelost maar prijsgegeven door de BV (...) De (verkapte) winstuitdeling stel ik, nu u verder geen gegevens hebt verstrekt, op minimaal het bedrag van de schuld per 31 december 2009, derhalve € 713.319. De verrekening met de pensioenaanspraak stel ik op € 63.672. Het resterende bedrag is afgerond € 650.000.”
De inspecteur heeft met dagtekening 9 november 2018 de aanslag IB 2015 aan belanghebbende opgelegd. Bij de aanslag IB 2015 is een bedrag van € 130.000 als waarde van de pensioenaanspraak belast als inkomen uit werk en woning (box 1) en is revisierente geheven (20% van € 130.000). Tevens is een bedrag van € 650.000 (het afgeronde verschil tussen de vordering van € 713.319 en de pensioenreserve van € 63.972) aangemerkt als dividenduitkering. De inspecteur heeft dat bedrag gebruteerd tot (€ 650.000 x 100/85 =) € 765.000 en belast als inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2), tegen een belastingtarief van 25%. Tevens is belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft de aanslag IB 2015 en de beschikking belastingrente en revisierente bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank heeft de aanslag IB 2015 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.972 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 640.925 (€ 650.000 minus verkrijgingsprijs van de aandelen in de BV van € 9.075), te belasten tegen een tarief van 10%, de daarbij gegeven beschikking belastingrente evenredig verminderd en de revisierente verminderd naar een bedrag van € 12.794. Aan belanghebbende is een vergoeding voor proceskosten en immateriële schade toegekend.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
i) is sprake van omkering van de regels van stelplicht en bewijslast? ii) heeft de ontbinding van de BV in 2015 plaatsgevonden?
iii) is sprake van ambtelijk verzuim of verjaring? Zo nee,
iv) is de aanslag IB 2015 terecht en naar een juist bedrag opgelegd?
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot het alsnog gegrond verklaren van zijn bezwaar. De inspecteur concludeert tot bekrachtiging van de uitspraak van de rechtbank.