Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 04-03-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:594, 24/566
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 04-03-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:594, 24/566
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 4 maart 2026
- Datum publicatie
- 31 maart 2026
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:594
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:1917, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 24/566
- Relevante informatie
- Art. 4 WBRV, Art. 8:75 Awb, Art. 15 WBR, Art. 4 WBR
Inhoudsindicatie
Overdrachtsbelasting, onroerendezaaksrechtspersoon. Er is ook voldaan aan de doeleis van artikel 4 Wet op belastingen van rechtsverkeer als de vergoeding voor gebruik van de onroerende zaak winstafhankelijk is en niet vooraf vastgesteld. De doorkijkarresten zijn niet van toepassing in de situatie waarin in de onroerendezaaksrechtspersoon worden vervreemd door de aandeelhouder, maar waar de vennootschap rechtspersoon zelf aandelen uitreikt aan verkrijger.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/566
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 maart 2024, nummer BRE 23 /72, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting over het jaar 2021 opgelegd. Ook is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende drijft met zijn echtgenote een onderneming in VOF-verband (hierna: de VOF). Het betreft een zorgboerderij met als nevenactiviteit agrarisch natuurbeheer. De VOF verricht haar activiteiten in een onroerende zaak (hierna: de onroerende zaak) gelegen aan en nabij [adres] [nummer 1] en [nummer 2] te [woonplaats] .
Op 18 december 2020 is de moeder van belanghebbende (hierna: de moeder) toegetreden tot de VOF. De moeder heeft onder andere in de VOF ingebracht:
- -
-
het recht op gebruik en genot van de onroerende zaak in de VOF en
- -
-
een bedrag van € 5.000 in contanten en
- -
-
haar persoonlijke kennis en zakelijke relaties met betrekking tot de bedrijfsvoering.
De juridische eigendom van de onroerende zaak heeft de moeder niet ingebracht.
Vanaf het boekjaar 2021 is de moeder voor twintig procent gerechtigd tot het resultaat van de VOF. Voor haar inbreng heeft zij daarnaast geen afzonderlijke vergoeding ontvangen.
Op 31 maart 2021 wordt door de gezamenlijke vennoten goedgekeurd dat de moeder haar aandeel in de VOF inbrengt in [de BV] BV, een nieuw op te richten besloten vennootschap (hierna: de BV). De BV wordt op 2 juni 2021 opgericht. De moeder verkrijgt 605 aandelen met een nominale waarde van € 1.000 die worden volgestort door inbreng van haar aandeel in de VOF en daarnaast de juridische eigendom van de onroerende zaak. Belanghebbende is bij de oprichting van de BV aangesteld als enig bestuurder van de BV.
Met een aanvulling op de overeenkomst van vennootschap onder firma wordt de BV in de plaats gesteld van de moeder. De overeenkomst vermeldt onder meer:
“In vennootschappelijke gemeenschap is thans aanwezig vanwege de vennoten sub1, sub 2 en sub 3:
(...)
4. de persoonlijke kennis en zakelijke relaties met betrekking tot de bedrijfsvoering van de vennoten sub 1 en sub 2 en de met de te verrichten werkzaamheden samenhangende arbeid, evenals de managementwerkzaamheden van de bestuurder van de vennoot sub 3, maar deze werkzaamheden zijn beperkt tot deelname aan de besluitvorming in de vergadering van de vennoten. ”
Op 2 juni 2021 heeft de BV 166 aandelen met een nominale waarde van € 1.000 uitgegeven aan belanghebbende tegen inbreng van een bedrag van € 166.000. Belanghebbende heeft hierdoor een belang van (afgerond) 21,53% in de BV verworven (hierna: de verkrijging).
Met dagtekening 19 januari 2022 is belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte overdrachtsbelasting in verband met de verkrijging van de aandelen in de BV. Op 4 februari 2022 heeft belanghebbende aangifte gedaan van de verkrijging van de aandelen in de BV. Hij heeft daarbij aangegeven dat de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing is.
De naheffingsaanslag is opgelegd naar een bedrag van € 10.560, zonder rekening te houden met de bedrijfsopvolgingsvrijstelling. In de bezwaarfase heeft de inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.372, omdat hij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de natuurgrondvrijstelling.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
- is sprake van een onroerendezaakrechtspersoon (hierna: OZR) als bedoeld in artikel 4 Wet Belastingen van Rechtsverkeer (hierna: WBR)?
- is de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van artikel 15, lid 1, letter b, WBR (hierna: de bedrijfsopvolgingsvrijstelling) van toepassing?
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Is sprake van een OZR?
Ingevolge artikel 4, lid 1, letter a, WBR, worden mede als onroerende zaken aangemerkt: aandelen in een rechtspersoon, waarvan de bezittingen op het tijdstip van de verkrijging of op enig tijdstip in het daaraan voorafgaande jaar grotendeels bestaan of hebben bestaan uit onroerende zaken en tegelijkertijd ten minste 30% van de bezittingen bestaat of heeft bestaan uit in Nederland gelegen onroerende zaken (de bezitseis), mits de onroerende zaken, als geheel genomen, op dat tijdstip geheel of hoofdzakelijk dienstbaar zijn of waren aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken (de doeleis).
Tussen partijen is niet in geschil dat voldaan is aan de bezitseis.
Tussen partijen is in geschil of voldaan is aan de doeleis van artikel 4 WBR.
Belanghebbende stelt dat de BV niet als een OZR in de zin van artikel 4 WBR is aan te merken, omdat de onroerend zaak niet dienstbaar is aan het exploiteren van die onroerende zaak. Belanghebbende stelt dat het verlenen van diensten voorop staat. Deze diensten bestaan uit het verlenen van zorg aan minderjarige kinderen.
De BV is juridisch eigenaar van de onroerende zaak. Daarnaast heeft de BV op grond van de aanvullende overeenkomst van vennootschap onder firma recht op deelname aan de besluitvorming tijdens de vergadering van vennoten. Tussen partijen is niet in geschil dat de moeder inhoudelijk geen bemoeienis heeft gehad met de zorgboerderij. Daaruit volgt dat voor zover sprake is van een ondernemingsactiviteit in de BV, deze activiteit feitelijk niet (of nauwelijks) uit meer heeft bestaan dan het ter beschikking stellen van de onroerende zaak tegen een winstafhankelijke vergoeding.
Belanghebbende stelt dat geen sprake is van exploitatie, omdat hij van mening is dat exploitatie alleen huur of pacht is, twee vormen van exploitatie waarbij vooraf de vergoeding vast staat. Belanghebbende stelt dat geen sprake is van huur of pacht omdat de vergoeding in dit geval niet vooraf vast staat. De vergoeding is immers afhankelijk van de winst van de VOF. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat een vooraf vastgestelde vergoeding niet een vereiste is voor het kunnen aannemen van exploitatie. Het ter beschikking stellen van een onroerende zaak tegen een winstafhankelijke vergoeding is ook een vorm van het exploiteren van de onroerende zaak als bedoeld in artikel 4 WBR. De omstandigheid dat een toelichting op de WBR1, die overigens is ingetrokken, aangaf dat bij exploitatie in het bijzonder gedacht moest worden aan de situatie van huur of pacht, maakt dat niet anders.
De verwijzing door belanghebbende naar een tweetal kennisgroepstandpunten2 leidt niet tot een ander oordeel. De situatie die is beschreven in het eerste kennisgroepstandpunt is niet vergelijkbaar en het tweede kennisgroepstandpunt leidt, zoals belanghebbende op de zitting heeft erkend, niet tot een ander resultaat.
Naar het oordeel van het hof is, gelet op het voorgaande, voldaan aan de doeleis en is de BV aan te merken als een OZR als bedoeld in artikel 4, lid 1, letter a WBR.
Is de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing?
Belanghebbende stelt dat geen overdrachtsbelasting is verschuldigd als gevolg van de uitgifte van aandelen in de BV, omdat de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing is. Deze vrijstelling houdt in dat onder voorwaarden van overdrachtsbelasting is vrijgesteld de verkrijging door een of meer kinderen van een ondernemer van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan diens onderneming die wat de bedrijfsvoering betreft, in haar geheel (al dan niet in fasen) door de verkrijger of verkrijgers wordt voortgezet.
Tussen partijen is niet in geschil dat bij letterlijke lezing de bedrijfsopvolgingsvrijstelling toepassing mist. De BV (vervreemder) is namelijk geen natuurlijk persoon zoals genoemd in artikel 15, lid 1, letter b, WBR. Belanghebbende stelt dat de vrijstelling toch moet worden toegepast en wijst daartoe op de zogenoemde doorkijkarresten3 van de Hoge Raad. De inspecteur betwist dat de vrijstelling toegepast kan worden, omdat volgens hem ook bij toepassing van de doorkijkarresten geen sprake is van een voor de vrijstelling kwalificerende vervreemder.
Het hof stelt voorop dat een ondernemer in beginsel vrij is in de keuze van de rechtsvorm voor zijn onderneming. De keuze voor een rechtspersoon, zoals een besloten vennootschap, kan er evenwel toe leiden dat bepaalde rechtshandelingen anders in de belastingheffing worden betrokken dan als gekozen zou zijn voor het drijven van die onderneming in de vorm van een eenmanszaak of vennootschap onder firma. Een besloten vennootschap is immers zelfstandig drager van rechten en verplichtingen.
Uitgangspunt bij de doorkijkarresten is dat een vastgoedvennootschap als bedoeld in artikel 4 WBR een fictieve onroerende zaak is. De doorkijkarresten brengen niets meer met zich mee dan dat een directe verkrijging van een fictieve onroerende zaak hetzelfde behandeld dient te worden als een directe verkrijging van een onroerende zaak zonder het bestaan van een vastgoedvennootschap. De vrijstelling vindt daarmee ten aanzien van een vastgoedvennootschap alleen toepassing als een ondernemer (natuurlijk persoon) het directe belang in die vastgoedvennootschap vervreemdt en een natuurlijk persoon uit de in de wet genoemde kring van verwanten deze aandelen verkrijgt.
In dit geval zijn de aandelen in de BV niet verkregen door overdracht van moeder aan belanghebbende, maar door uitgifte van nieuwe aandelen door de BV. Dat is naar het oordeel van het hof een wezenlijk andere situatie dan de situatie die tot de doorkijkarresten heeft geleid. Het hof ziet geen aanleiding om uitgifte van aandelen in de BV gelijk te stellen met overdracht van de onroerende zaak door de moeder. Dat door uitgifte van aandelen sprake is van verwatering bij de moeder als aandeelhouder, doet daar niet aan af. Het hof ziet geen aanleiding om die kring ruimer op te vatten zoals belanghebbende bepleit.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.