Hoge Raad, 20-01-1993, ZC5234, 28775
Hoge Raad, 20-01-1993, ZC5234, 28775
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 20 januari 1993
- Datum publicatie
- 31 maart 2025
- ECLI
- ECLI:NL:HR:1993:ZC5234
- Zaaknummer
- 28775
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting Gift aan Scoutinggroep
Uitspraak
Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
nr. 28.775
20 januari 1993
TB
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 januari 1992 betreffende na te melden aan [X] te [Z] voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 20.704, -- , welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 19.980, --. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Belanghebbende heeft ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling een bedrag van f 830,20 voor eigen rekening genomen en heeft te dezer zake bij de instelling een pro-forma-declaratie ingediend. Die declaratie, welke door belanghebbende en de penningmeester van de instelling is ondertekend, vermeld onder meer het volgende:
"Deze kosten zijn in het jaar 1988 door mij voor eigen rekening gemaakt ten behoeve van de Scoutinggroep [A] te [Q] als kaderlid. Hiervoor is vanwege de scoutinggroep geen vergoeding verleend, waarbij opgemerkt dient te worden dat een kostenvergoedingsregeling ook niet bestaat binnen groep".
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het bedrag van f 830,20 als een aftrekbare gift in de zin van artikel 47 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 moet worden aangemerkt. Het middel bestrijdt dit oordeel voor wat betreft het vereiste van de vrijgevigheid.
3.3. Aan zijn vaststelling in 4.4 van de uitspraak dat de Inspecteur heeft verklaard dat onderdeel 2 van de pleitnota kan vervallen, heeft het Hof klaarblijkelijk de gevolgtrekking verbonden dat de
Inspecteur niet langer wilde aanvoeren dat hier sprake is van op de eigen behoeftebevrediging gerichte uitgaven. Voor zover het middel tegen deze gevolgtrekking opkomt, faalt het omdat deze gevolgtrekking, als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Voor zover het middel inhoudt dat hier sprake is van op de eigen behoeftebevrediging gerichte uitgaven, faalt het evenzeer omdat die stelling, welke een onderzoek van feitelijke aard vereist, niet voor het eerst in cassatie naar voren kan worden gebracht.
3.4. Het Hof heeft voorts terecht verworpen het standpunt van de Inspecteur dat reeds de enkele omstandigheid dat de Stichting niet in staat was de onderwerpelijke uitgaven te vergoeden, aan vrijgevigheid in de weg staat. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het Hof uit het oog zou hebben verloren dat vrijgevigheid een vereiste is voor de aanwezigheid van een gift in de zin van voormelde bepaling, mist het middel derhalve feitelijke grondslag.
3.5. Nu belanghebbende voor het Hof heeft aangevoerd dat hij uit vrijgevigheid heeft gehandeld en uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt dat de Inspecteur daartegen iets anders heeft aangevoerd dan in 3.3 en 3.4 is vermeld, behoefde 's Hofs kennelijke oordeel dat belanghebbende uit vrijgevigheid heeft gehandeld geen nadere motivering. Het middel kan mitsdien ook voor het overige niet tot cassatie leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van der Vegt, in raadkamer van 20 januari 1993.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep een recht geheven van f 300, --.