Ga verder naar content

Hoge Raad, 03-02-1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2638, 33877

Hoge Raad, 03-02-1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2638, 33877

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 februari 1999
ECLI
ECLI:NL:HR:1999:AA2638
Zaaknummer
33877

Inhoudsindicatie

-

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 26 september 1997 betreffende de hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 106.889,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar, 1992, bijgedragen in de kosten van het levensonderhoud van zijn in 1961 geboren dochter. Deze dochter heeft, na afronding van haar opleiding aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding, geen vaste baan kunnen vinden. Tot 1 augustus 1990 genoot zij inkomsten als sportlerares, daarna incidentele inkomsten uit bijverdiensten. In verband met het overlijden van haar vriend ontving zij in 1991 een eenmalige uitkering van f 37.500,--. Via een stichting was zij voor 20 percent gerechtigd in A B.V., waarvan het vermogen per 1 januari 1992 f 291.070,-- beliep. In 1991 is zij begonnen met een opleiding tot verkeersvlieger. In mei 1993 vond zij werk als verkeersvlieger. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar aftrek wegens buitengewone lasten verzocht van een bedrag van f 79.700,--, welk bedrag hij stelt voor het praktische gedeelte van de opleiding van zijn dochter te hebben betaald. De Inspecteur heeft die aftrek geweigerd. 3.2. Het Hof heeft de Inspecteur in het gelijk gesteld op grond van zijn oordeel dat de door belanghebbende verleende ondersteuning niet nodig was om de dochter in staat te stellen tot het voeren van een redelijk bestaan overeenkomstig haar plaats in de samenleving. In dit oordeel ligt, gelet op het feit dat het Hof daarbij in aanmerking heeft genomen (a) dat de dochter van belanghebbende ten tijde van de aanvang van de opleiding tot verkeersvlieger als sportlerares overeenkomstig haar plaats in de samenleving in haar eigen levensonderhoud kon voorzien en (b) dat haar kansen op een vaste baan als verkeersvlieger toen slecht waren terwijl zij bovendien (c) in verband met de onmogelijkheid een dergelijke baan tezijnertijd te combineren met een moederschap ervan uitging dat in aansluiting op de voltooiing van de opleiding voor het uitoefenen van het beroep van verkeersvlieger slechts een periode van vijf jaar beschikbaar zou zijn, besloten het oordeel dat er voor de dochter geen redelijke grond bestond voor het volgen van de opleiding tot verkeersvlieger. 3.3. Het Hof heeft laatstvermeld oordeel evenwel ontoereikend gemotiveerd. De omstandigheden dat (zoals belanghebbende heeft gesteld in verband met de vraag of financiering van de opleiding door middel van een lening niet in de rede had gelegen) het moeilijk zou zijn voor zijn dochter na voltooiing van de opleiding een baan als verkeersvlieger te vinden en dat op grond van mogelijke in haar persoonlijke levenssfeer gelegen toekomstige ontwikkelingen in aansluiting op de voltooiing van die opleiding voor het uitoefenen van het beroep van verkeersvlieger wellicht slechts een periode van vijf jaar beschikbaar zou zijn, brengen niet zonder meer mee dat in 1992 en 1993 in redelijkheid moest worden verwacht dat de opleiding tot verkeersvlieger, die een aanzienlijke investering vergde, niet zou leiden tot een belanghebbendes dochter (beter) passende plaats in de samenleving. Middel II slaagt derhalve. 3.4. Middel I dat klaagt over de gang van zaken ter zitting van het Hof, faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. 3.5. Uit het onder 3.3. overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie voor de onderhavige zaak en de daarmee samenhangende zaak onder nummer 33878 redelijkerwijs heeft moeten maken. De vraag of in verband met de behandeling van het geding voor het Hof aan belanghebbende een vergoeding voor proceskosten dient te worden toegekend, zal door het verwijzingshof moeten worden beoordeeld.

5. Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het Hof; - verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest; - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2.130,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand; en - gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze terzake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--.

Dit arrest is op 3 februari 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Fleers, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier De Bruin, en op die datum in het openbaar uitgesproken.