Home

Hoge Raad, 25-07-2000, AA6600, 34255

Hoge Raad, 25-07-2000, AA6600, 34255

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 juli 2000
Datum publicatie
15 augustus 2001
ECLI
ECLI:NL:HR:2000:AA6600
Formele relaties
Zaaknummer
34255

Inhoudsindicatie

-

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

D e r d e K a m e r

Nr. 34255

25 juli 2000

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 maart 1998 betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ¦ 124.570,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Van Kalmthout heeft op 7 februari 2000 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en die van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van nihil.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van ’s Hofs uitspraak naar aanleiding van de klachten en ambtshalve

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende heeft voor het eerst in haar balans per 31 december 1993 onder de naam "reserve uitgesteld salaris" een passiefpost wegens uitgestelde arbeidsbeloningen van haar directeur/groot-aandeelhouder A opgenomen ten bedrage van ¦ 585.580,--. Dit bedrag heeft voor ¦ 97.340,-- betrekking op een uitgestelde arbeidsbeloning over 1993. Voor het overige heeft het betrekking op uitgestelde arbeidsbeloningen over de jaren 1989 tot en met 1992, welker toekenning in de notulen van in 1992 en 1993 gehouden algemene aandeelhoudersvergaderingen is vastgelegd met uitdrukkelijke openlating van de data van uitkering. Bij overeenkomst van 29 december 1993 zijn de data van uitkering vastgesteld. De passiefpost is gelijk aan de contante waarde van de uitgestelde arbeidsbeloningen.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de passiefpost voorzover betrekking hebbende op de uitgestelde arbeidsbeloningen over de jaren 1989 tot en met 1992 niet in aftrek kan komen omdat aan de toekenning daarvan geen zakelijke motieven ten grondslag liggen.

Klacht 2, die zich tegen dit oordeel richt, treft doel op de in de onderdelen 3.2 tot en met 3.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal vermelde gronden.

3.3. De hiervóór in 3.1 vermelde feiten laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de toekenning van de desbetreffende arbeidsbeloningen aan A, mede in aanmerking genomen dat A als directeur/grootaandeelhouder te allen tijde de betaling ervan had kunnen doen plaatsvinden, voor belanghebbende juridisch afdwingbare en voldoende bepaalbare verplichtingen opleverde, welke volgens goed koopmansgebruik in de fiscale balansen van de jaren waarin de arbeidsbeloningen zijn toegekend, moesten worden gepassiveerd. Het nalaten van de passivering ultimo 1992 is aan te merken als een fout waarop de zogenoemde foutenleer van toepassing is. Indien de Inspecteur weigert de reeds onherroepelijk vaststaande aanslag ambtshalve te verminderen, brengt de foutenleer mee dat in de eindbalans van het oudste nog openstaande jaar, 1993, de voormelde verplichtingen worden opgenomen.

3.4. Uit het hiervóór overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen. Onderzocht moet worden of de Inspecteur bereid is de reeds onherroepelijk vaststaande aanslag over 1992 ambtshalve te verminderen. Klacht 1 behoeft geen behandeling.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De vraag of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend, zal door het verwijzingshof worden beoordeeld.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de uitspraak van het Hof;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest;

gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ¦ 315,--;

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ¦ 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 25 juli 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P.J. van Amersfoort en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.