Home

Hoge Raad, 10-08-2001, AB3150, 36061

Hoge Raad, 10-08-2001, AB3150, 36061

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 augustus 2001
Datum publicatie
13 augustus 2001
ECLI
ECLI:NL:HR:2001:AB3150
Formele relaties
Zaaknummer
36061

Inhoudsindicatie

-

Uitspraak

Nr. 36.061

10 augustus 2001

JV

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 februari 2000, nr. 98/04310, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 233.645, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 5 maart 2001 geconcludeerd primair tot vernietiging van 's Hofs uitspraak en verwijzing van het geding en subsidiair tot vernietiging van 's Hofs uitspraak alsmede die van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende was in het onderhavige jaar, 1995, negentien jaar in dienst bij A B.V. In het kader van zijn dienstbetrekking heeft hij met een team van medewerkers onder meer gewerkt aan een procédé dat het energieverbruik bij productie van waspoeder met 80% reduceert en het waterverbruik met 200 à 400 liter per ton waspoeder. Belanghebbende is vanwege de ontwikkeling van dit procédé door zijn werkgever bij de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen als kandidaat aangemeld voor de Dow Chemical Energieprijs 1995. De advertentie waarin werd opgeroepen kandidaten aan de selectiecommissie voor te dragen vermeldde het volgende:

"De prijs wordt gedurende vijf opeenvolgende jaren, vanaf 1991, toegekend door Dow Benelux N.V. op voordracht van de Akademie. De prijs wordt toegekend aan diegene(n) die zich bijzonder verdienstelijk gemaakt heeft (hebben) voor de bevordering van duurzame ontwikkeling in de procesindustrie waarbij gedacht wordt aan een efficiëntere benutting of omzetting van energie en/of van grondstoffen en aan terugdringing van belasting van het milieu.

De prijs bestaat uit een oorkonde en een bedrag van f 30.000,-

De prijs beoogt duurzame ontwikkeling in de procesindustrie in ruime zin te bevorderen. Het begrip procesindustrie kan hierbij zeer breed worden opgevat. Te denken valt aan de chemische industrie, de aardolie-industrie en dergelijke.

Voor de prijs komen personen of groepen van personen in aanmerking. Niet in aanmerking komen instituten, firma's, faculteiten etc. Van het werk van de kandida(a)t(en) moet aannemelijk zijn dat dit realiseerbaar is onder industriële condities. Het hoeft niet reeds bewezen te zijn.

(...…)."

3.1.2. Aan belanghebbende is de Dow Chemical Energieprijs 1995 toegekend op grond van de aanbeveling van een onafhankelijke selectiecommissie, ingesteld door de afdeling Natuurkunde van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. De considerans bij de aanbeveling van de commissie maakt melding van de overwegingen die tot deze nominatie hebben geleid, te weten:

"Het is de grote verdienste van X en zijn team geweest een proces te ontwikkelen dat de totale energiebehoefte met 80% terugbrengt. (...…)

Het is X cum suis gelukt om het proces continu uit te voeren met een capaciteit van 20 tot 30 ton per uur. Naast de grote energiebesparing is er ook een besparing op het watergebruik van 200-400 liter per ton waspoeder. Andere milieuvoordelen zijn de vermindering van afvalstromen (...…), alsmede het kunnen toepassen van sneller afbreekbare oppervlakteactieve stoffen (...…). Het eindprodukt is zeer geconcentreerd, waardoor verpakking en transport worden gereduceerd.

Vanaf het eerste idee is het proces binnen vijf jaar tot produktie-fase ontwikkeld. Thans werken de Afabrieken in Europa die compacte waspoeders maken, volgens de nieuwe procesroute. (...…). Het proces heeft echter mondiale relevantie. (...…)

X heeft in de 19 jaar van zijn dienstverband met A een schat aan ervaring in de poedertechnologie opgebouwd, die thans de bekroning heeft gevonden in een spectaculaire procesvoering.

Hij heeft leiding gegeven aan diverse teams van jonge medewerkers. De hierboven beschreven prestatie wil hij uitdrukkelijk delen met zijn teamleden."

3.2. In geschil is of de Inspecteur het door belanghebbende ontvangen bedrag van ƒ 30.000 dat aan de prijs was verbonden, terecht heeft aangemerkt als loon uit dienstbetrekking als bedoeld in artikel 22, lid 1, letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

3.3. Naar de bewoordingen van artikel 22 van de Wet is loon uit dienstbetrekking, voorzover hier van belang, loon als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 alsmede fooien en dergelijke prestaties van derden. Afgezien van fooien en dergelijke prestaties van derden is indien een werknemer een voordeel dat enig verband houdt met zijn dienstbetrekking geniet van een ander dan zijn werkgever, slechts sprake van loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 indien dat voordeel wordt verstrekt in opdracht van en voor rekening van zijn werkgever, dan wel met medeweten van zijn werkgever door een andere concernmaatschappij (vergelijk HR 1 november 2000, nr. 361, BNB 2001/82). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. De prijs kan derhalve alleen tot het loon in de zin van artikel 22 van de Wet worden gerekend indien deze kan worden gerangschikt onder de fooien en dergelijke prestaties van derden.

3.4. Onder de fooien en dergelijke prestaties van derden vallen slechts prestaties die kunnen worden beschouwd als vergoeding, in ruime zin, voor hetgeen de werknemer als zodanig heeft verricht. De door het Hof vastgestelde feiten laten geen andere conclusie toe dan dat aan de prijs elk element van een tegenprestatie voor werkzaamheden jegens belanghebbendes werkgever of jegens de insteller van de prijs ontbrak. Hieruit volgt dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, de prijs niet het karakter heeft van een vergoeding voor werkzaamheden die belanghebbende als werknemer heeft verricht.

3.5. Middel I dat opkomt tegen 's Hofs overwegingen die hebben geleid tot zijn beslissing dat de prijs moet worden gerekend tot de als loon uit dienstbetrekking aan te merken fooien en dergelijke prestaties van derden, is derhalve gegrond. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De gegrondbevinding van middel I brengt met zich dat middel II geen behandeling meer behoeft. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Inspecteur,

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 203.345,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 160, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van ƒ 80, derhalve in totaal ƒ 240,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2130 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2662,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, A. Hammerstein en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2001.