Ga verder naar content

Hoge Raad, 15-11-2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0628, 36249

Hoge Raad, 15-11-2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0628, 36249

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15 november 2002
ECLI
ECLI:NL:HR:2002:AF0628
Zaaknummer
36249

Inhoudsindicatie

-

Uitspraak

Nr. 36.249

15 november 2002

IR

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 mei 2000, nr. BK-98.5217, betreffende na te melden aan X te Z (België) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar binnenlands inkomen van ƒ 146.273, waarvan ƒ 42.966 belast naar het tarief van 25 percent als vermeld in artikel 53b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), tegen welke aanslag belanghebbende bezwaar heeft gemaakt.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar binnenlands inkomen van ƒ 117.991, waarvan ƒ 42.966 belast naar het tarief van 13 percent als vermeld in artikel 53a, lid 1, van de Wet. Daarbij heeft de Inspecteur tevens een bedrag van ƒ 10.977 aan premie volksverzekeringen geheven.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur vernietigd voor zover daarbij van belanghebbende premie volksverzekeringen is geheven. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van 's Hofs uitspraak naar aanleiding van het middel en ambtshalve

3.1. Aan belanghebbende is als buitenlandse belastingplichtige in het onderhavige jaar, 1992, een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar binnenlands inkomen van ƒ 146.273. Daarvan is op een bedrag van ƒ 42.966, de zogeheten eerste schijf, het tarief van 25 percent als bedoeld in artikel 53b van de Wet toegepast. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het belastbare binnenlandse inkomen nader vastgesteld op ƒ 117.991 en op voormeld bedrag van ƒ 42.966, gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1996, C-107/94 (Asscher), BNB 1996/350, het tarief van 13 percent als bedoeld in artikel 53a, lid 1, van de Wet toegepast. Tevens heeft de Inspecteur over genoemd bedrag van ƒ 42.966 een bedrag van ƒ 10.977 aan premies volksverzekeringen geheven, te weten 25,55 percent van het (maximale) premie-inkomen.

3.2. De aanslag betrof alleen inkomstenbelasting. Conversie achteraf van die aanslag in een gecombineerde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen is niet mogelijk (vergelijk Hoge Raad 22 november 2000, nr. 35060, BNB 2001/32).

3.3. Het hiervoor overwogene brengt met zich dat het Hof de uitspraak van de Inspecteur, waarbij de aanslag is uitgebreid tot een heffing van mede premie volksverzekeringen, terecht heeft vernietigd, wat er zij van de door het Hof gebezigde gronden. Het middel van de Staatssecretaris, dat de verschuldigdheid van premie volksverzekeringen aan de orde stelt, kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2002.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 327.