Home

Hoge Raad, 11-07-2003, AH9766, 432

Hoge Raad, 11-07-2003, AH9766, 432

Inhoudsindicatie

Nr. 432 11 juli 2003 WM gewezen op het beroep in cassatie van X B.A. te Z tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 juli 2002, nr. 00/2729 ALGEM, betreffende na te melden besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen tot vaststelling van het premieplichtig loon over het jaar 1997. 1. Besluit, bezwaar en geding voor de Rechtbank...

Uitspraak

Nr. 432

11 juli 2003

WM

gewezen op het beroep in cassatie van X B.A. te Z tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 juli 2002, nr. 00/2729 ALGEM, betreffende na te melden besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen tot vaststelling van het premieplichtig loon over het jaar 1997.

1. Besluit, bezwaar en geding voor de Rechtbank

Bij besluit, gedagtekend 30 november 1998, heeft het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: het Bestuur) ten laste van belanghebbende het premieplichtig loon over het jaar 1997 verhoogd met ƒ 54.332.

Het Bestuur heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende is tegen die beslissing in beroep gekomen bij de Rechtbank te 's-Hertogenbosch.

De Rechtbank heeft het beroep tegen die beslissing ongegrond verklaard.

2. Geding voor de Centrale Raad van Beroep

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

De Centrale Raad heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.

3. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft, als rechtsopvolger van het Bestuur, een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

4. Beoordeling van het middel

4.1. De Centrale Raad heeft geoordeeld dat de wetgever met artikel 6, lid 1, aanhef en letter f, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: de CSV) uitdrukkelijk heeft beoogd niet langer de aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval tot het premieplichtig loon te rekenen, maar de uitkeringen zelf, en dat de bedragen die op grond van de voor personeelsleden van belanghebbende geldende collectieve ongevallenverzekering aan werknemers van belanghebbende zijn uitgekeerd, niet als loon uit vroegere dienstbetrekking kunnen worden aangemerkt.

4.2. Tegen voormelde oordelen richt zich het middel met het betoog dat de Centrale Raad met zijn oordelen een verkeerde uitleg heeft gegeven van het loonbegrip zoals dat is neergelegd in de artikelen 4 tot en met 6 van de CSV.

4.3. Volgens artikel 4, lid 1, van de CSV is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten. Deze bepaling is in zoverre beperkter dan het begrip loon in artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 dat in laatstvermeld artikel loon is omschreven als al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten. Dit verschil heeft tot gevolg, gelet op de coördinatie van de loonbelasting en de premieheffing ingevolgde de sociale verzekeringswetten, dat tot het loon in de zin van artikel 4, lid 1, van de CSV niet kan worden gerekend al hetgeen wordt genoten als loon uit een vroegere dienstbetrekking. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor het onderscheid tussen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en loon uit vroegere dienstbetrekking bepalend of de uitkeringen ten nauwste verband houden met bepaalde verrichte arbeid of met in een bepaald tijdvak verrichte arbeid, dan wel die uitkeringen slechts meer algemeen hun oorzaak vinden in voorheen verricht zijn van arbeid (o.a. HR 21 juni 2000, nr. 358, BNB 2000/271). Van uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval kan niet worden gezegd dat die een rechtstreekse beloning vormen voor bepaalde of in een bepaald tijdvak verrichte arbeid. Zij moeten derhalve worden aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking.

4.4. De geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6, lid 1, aanhef en letter f, van de CSV leidt niet tot een ander oordeel. Deze bepaling is bij Wet van 27 april 1989, houdende aanpassing van een aantal sociale zekerheidswetten en van enige andere wetten, alsmede het stellen van regels voor de toepassing van die wetten naar aanleiding van de voorstellen van de commissie tot vereenvoudiging van de loonbelasting en de inkomstenbelasting (Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies), Stb. 1989, 127, in de CSV opgenomen. Voordien was deze bepaling opgenomen in het besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 18 september 1969, nr. 91414, Stcrt. 1969, 219, welk besluit was gebaseerd op het toen geldende tweede lid van artikel 6 van de CSV.

In de memorie van toelichting bij het voorstel dat heeft geleid tot voormelde Wet van 27 april 1989 is onder meer het volgende vermeld (Kamerstukken II 1988/89, 20 855, nr. 3, blz. 33):

"In het wetsvoorstel vereenvoudiging tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting is een wijziging opgenomen van artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964 (Stb. 521), welk artikel de uitzonderingen op het loonbegrip voor de inhouding van loonbelasting bevat. De (met het tweede lid van artikel 6 van de CwSV overeenkomende) delegatiebepaling in artikel 11, tweede lid, van de Wet op de loonbelasing 1964 is in dat voorstel in omvang beperkt, vanuit de overweging dat de in het tweede lid genoemde mogelijke uitzonderingen op het loonbegrip voor een deel vrijwel letterlijk worden herhaald in het op grond van het tweede lid genomen besluit. Hetzelfde kan gezegd worden van de in het tweede lid van artikel 6 van de CwSV genoemde uitzonderingen op het loonbegrip. Ook deze worden voor een deel vrijwel letterlijk herhaald in het door de SVr genomen besluit. (...) Uit coördinatie-overwegingen wordt nu voorgesteld de opsomming in artikel 6 van de CwSV te herschikken overeenkomstig het voorstel tot wijziging van artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964."

Voorts is in de memorie van toelichting bij het voorstel dat heeft geleid tot de Wet van 16 december 1964 (Wet op de loonbelasting 1964), Stb. 1964, 521, onder meer het volgende vermeld (Kamerstukken II 1958/59, nr. 5380,

nr. 7, blz. 11):

"Het tweede lid, letter a, van artikel 11 opent de mogelijkheid om, met afwijking van de algemene regeling inzake de belastingheffing over aanspraken op uitkeringen, niet de aanspraak in aanmerking te nemen voor het tijdvak waarin deze is ontstaan, doch in plaats daarvan de daaruit voortvloeiende uitkeringen te belasten, (...)."

In het verslag van het mondeling overleg, tevens eindverslag, is over het voorgestelde artikel 11 onder meer nog het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 1963/64, 5380, nr. 31, blz. 6):

"In het kader van de coördinatie tussen loonbelasting en sociale-verzekeringswetten is reeds voor de indiening van het loonbelastingontwerp intensief overleg gepleegd, onder meer over het loonbegrip waartoe het onderhavige punt behoort. Tegen de voorgenomen regeling inzake het belasten van uitkeringen uit door werkgevers ten behoeve van hun werknemers afgesloten ongevallenpolissen zijn van de zijde van de Minister van Sociale Zaken geen bedenkingen gerezen."

Uit deze wetsgeschiedenis kan niet worden afgeleid dat de wetgever toen hij de zogenoemde omkeerregel voor ongevalsuitkeringen overbracht van een op een delegatiebevoegdheid gebaseerde regeling naar de wet zelf, daarmee heeft willen breken met het onderscheid tussen loon uit een tegenwoordige dienstbetrekking en loon uit een vroegere dienstbetrekking, zoals dat werd gemaakt in de ook toen reeds vaste rechtspraak van de Hoge Raad.

4.5. Het middel slaagt derhalve. De uitspraak van de Centrale Raad kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

5. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep,

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het primaire besluit van 14 december 1998 en het griffierecht,

vernietigt het besluit van 30 november 1998, en

gelast dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 327, alsmede het bij de Centrale Raad betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Centrale Raad ten bedrage van ƒ 675 (€ 306,30), derhalve in totaal € 633,30.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2003.