Home

Hoge Raad, 06-01-2004, AM2529 AO3691, 02788/02

Hoge Raad, 06-01-2004, AM2529 AO3691, 02788/02

Gegevens

Inhoudsindicatie

Opzettelijke uitvoer van hennep en hasj naar Duitsland (meermalen gepleegd), art. 3.1.A Opiumwet. Bewijsklachten opzettelijk “buiten grondgebied van Nederland brengen” a.b.i. art. 1.5 Opiumwet. 1. Kon hof oordelen dat verdachte opzet had op vervoer naar Duitsland van de door hem aan ander (A) verkochte hoeveelheid softdrugs? 2. Kon hof oordelen dat verdachte ook softdrugs buiten grondgebied van Nederland heeft gebracht door hennep en hasj te verkopen aan andere personen?

Ad 1. Ex art. 1.5 Opiumwet is onder het buiten grondgebied brengen van middelen als waarvan in bewezenverklaring sprake is, mede begrepen het met bestemming naar buitenland ten vervoer aanbieden van die middelen. Dat verdachte opzettelijk hoeveelheid van één of meer van die middelen (hennep en hasj) ten vervoer naar buitenland aan A heeft aangeboden en aldus buiten grondgebied van Nederland heeft gebracht in voornoemde zin, kan uit gebruikte b.m. worden afgeleid. Daaraan doet niet af dat die b.m. niet inhouden dat desbetreffende hoeveelheid softdrugs ook daadwerkelijk naar buitenland is vervoerd.

Hof heeft kennelijk geoordeeld dat verdachte zich minstgenomen willens en wetens heeft blootgesteld aan aanmerkelijke kans dat door hem aan A verkochte hoeveelheid softdrugs naar Duitsland zou worden vervoerd. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat hof heeft vastgesteld dat A (naar verdachte wist) Duitser was, dat in de in verdachtes woning aangetroffen telefoonklapper een Duits telefoonnummer van A stond vermeld, dat verdachte ten behoeve van desbetreffende (niet onaanzienlijke) transactie een hotelkamer voor A had gereserveerd en dat betaling door A in Duitse marken (DM 25.620) heeft plaatsgevonden.

Ad 2. Uit b.m. kan niet worden afgeleid dat verdachte ook hoeveelheid van bedoelde middelen buiten grondgebied van Nederland heeft gebracht door verkoop/overdracht aan één of meer (andere) onbekend gebleven (uit Duitsland afkomstige) personen.

Volgt partiële vernietiging en verwijzing. CAG: anders t.a.v. verkoop aan andere personen.

Uitspraak

6 januari 2004

Strafkamer

nr. 02788/02

IV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 10 oktober 2002, nummer 21/002340-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats] .

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Zwolle van 26 februari 2001 - de verdachte ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", 2. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", 3. "handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" en 4. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf met ont-trekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven en met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 ontoereikend is gemotiveerd.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 12 mei 1999 tot en met 16 mei 1999 in de gemeente Deventer opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), zijnde hennep en hashish een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte opzettelijk een hoeveelheid van één of meer van bovengenoemde middelen verkocht/overgedragen aan " [betrokkene 1] " en aan één of meer (andere) onbekend gebleven (uit Duitsland afkomstige) personen."

3.3. Die bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen.

- een proces-verbaal van politie, inhoudende:

"Uit de map "geselecteerde tap" waarin alle relevante tapgesprekken zitting in chronologische volgorde, zijn alle gesprekken geselecteerd die betrekking hebben op de verkoop door [verdachte] van softdrugs die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar Duitsland. Hieronder zijn daarvan een aantal gesprekken verzameld, die kennelijk betrekking hebben op verschillende "deals" met Duitse personen, Deal 1: de levering van een onbekende hoeveelheid softdrugs ter waarde van DM 25.620 aan een Duitser, die verbleef in een door [verdachte] gereserveerde kamer in het Postiljonmotel te Deventer.

- Gesprek van 12 mei 1999 te 21.09 uur tussen NN-Duitser en [verdachte] : daarin zegt de Duitser dat hij zaterdag wil komen, maar dan moet [verdachte] een hotelkamer reserveren voor hem en zijn hond. De Duitser zegt dat het gaat om iets dat [verdachte] wel heeft liggen. [verdachte] heeft de hele zaterdag tijd voor de Duitser.

- Gesprek van 15 mei 1999 te 11.48 uur, tussen [verdachte] en personeel van het Postiljonmotel te Deventer: daarin reserveert [verdachte] een kamer voor 2 personen; niet voor hemzelf, maar voor vrienden zegt [verdachte] . - bij controle van het hotelregister- en reserveringen bleek dat door dhr. [verdachte] op 15 mei 1999 een hotelkamer voor 2 personen heeft gereserveerd. Deze kamer is door 2 personen gebruikt, waarvan de ene persoon zich heeft ingecheckt met de personalia: [...] , geboren op [geboortedatum] -56, wonende te Duitsland, [a-straat 1] , [woonplaats] . (bij controle door de politie in Duitsland bleek een persoon met deze personalia niet voor te komen).

- Gesprek van 15 mei 1999 te 12.10 uur tussen NN-duitser en [verdachte] : daarin vraagt de duitser aan [verdachte] of deze de hotelkamer voor hem en " [betrokkene 2] " heeft kunnen regelen. Dat is geregeld. ( [betrokkene 2] blijkt de hond van [betrokkene 1] te zijn).

- Gesprek van 15 mei 1999 te 15.18 uur tussen de NN-Duitser (noemt zich nu [betrokkene 1] ) en [betrokkene 3] : daarin zegt [betrokkene 1] dat hij rond 16.00 uur aankomt.

- Gesprek van 15 mei 1999 te 16.32 uur tussen [betrokkene 3] en personeel van een restaurant; zij reserveert daar een tafel voor 4 personen om 17.30 uur - gesprek van 15 mei 1999 te 17.23 uur tussen [verdachte] en [betrokkene 4] : daarin [verdachte] tegen [betrokkene 4] zegt dat " [betrokkene 1] " een "hele beer" (grote plaat hasj) en 200 stekken wil hebben.

- Gesprek van 15 mei 1999 te 17.25 uur tussen [betrokkene 4] en [verdachte] : daarin vraagt [betrokkene 4] of "hij" nog iets anders wil hebben. [verdachte] zegt dat "hij" nog weed wil hebben, maar dat heeft [verdachte] zelf wel. [betrokkene 4] zegt dat hij wel langs komt.

- Gesprek van 15 mei 1999 te 20.20 uur tussen [verdachte] en [betrokkene 4] ; daarin zegt [verdachte] tegen [betrokkene 4] dat "hij" ook nog een BEER (brok hasj) wil hebben die "hij" de vorige keer ook gehad had. [betrokkene 4] geeft aan dat hij geen BEREN meer heeft, en dat hij daarom wel wat plaatjes (plakken hasj) bij elkaar zoekt. [verdachte] zegt dat [betrokkene 4] dan naar een pakket moet samenstellen, want dan kan "hij" daaruit kiezen.

- Verklaring van [betrokkene 3] van 12 juni 1999 te 13.25 uur:

daarin verklaart [betrokkene 3] dat [verdachte] inderdaad toen een hotelkamer voor een Duitser had gereserveerd; die Duitser heeft een hondje met de naam [betrokkene 2] . [betrokkene 3] verklaart dat [verdachte] aan deze " [betrokkene 1] " een hoeveelheid softdrugs heeft verkocht die [verdachte] daartoe had klaargemaakt en in een tas had klaargezet. [betrokkene 3] verklaart dat vermoedelijk [betrokkene 4] de drugs die avond gebracht had bij [verdachte] .

- Gesprek van 16 mei 1999 te 11.32 uur tussen [verdachte] en [betrokkene 5] : daarin zegt [verdachte] dat hij "marken" heeft.

- Gesprek van 16 mei 1999 te 13.38 uur tussen deze [betrokkene 5] en [verdachte] : daarin vraagt [betrokkene 5] of [verdachte] wel goed gerekend heeft. Het komt erop neer, dat [verdachte] hem een bedrag van 25.620,= aan Duitse marken heeft gegeven, en dat dit omgerekend met een wisselkoers van 1,10 neerkomt op het bedrag van F 28.180,=. Dan gaat [betrokkene 5] alsnog akkoord met de wisseltransaktie.

- Gesprek van 16 mei 1999 te 20.57 uur tussen [betrokkene 4] en [verdachte] : daarin vraagt [betrokkene 4] aan [verdachte] of "het" gelukt is met " [betrokkene 1] ". [verdachte] bevestigt dat.

- Tijdens de huiszoeking in de woning van [verdachte] / [betrokkene 3] werd een telefoonklapper inbeslaggenomen. Daarin staat onder meer vermeld:

" [betrokkene 1] "."

- de verklaring van verdachte, afgelegd in eerste aanleg, luidende:

" [betrokkene 1] is iemand die ik ken, Ik heb hem ook een stukje hash van 30, 40 of 50 gram verkocht. Meestal ging ik naar hem toe. Soms kwam hij bij mij. Ik herinner mij een kamerreservering te hebben gedaan op 15 mei 1999 bij het Postiljonmotel te Deventer."

- een proces-verbaal van politie, inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] :

"Ik ken [betrokkene 6] en [betrokkene 1] als buitenlanders. [betrokkene 1] heeft met zijn nieuwe vriendin een maand geleden in het Postiljon hotel in Deventer overnacht. [verdachte] had deze overnachting geregeld. We zijn nog wezen stappen. De dag nadat we aan het stappen waren geweest kwam [betrokkene 1] met zijn vriendin bij mij in de woning. [verdachte] had toen een voorraad hasj en weed klaar staan voor [betrokkene 1] . Er stond een plastic Albert Heijn-tas voor hem klaar met daarin weed en hasj. [verdachte] had zelf die voorraad klaar gemaakt.

[verdachte] handelde zelfstandig in grotere partijen hasj en weed. Er werden regelmatig grotere partijen hasj en weed aan buitenlanders verkocht.

Met betrekking tot [betrokkene 6] , die ook wel [betrokkene 6] of [betrokkene 6] genoemd werd kan ik verklaren dat deze ook een aantal malen bij ons thuis is geweest en hasj en weed heeft gekocht bij [verdachte] ."

- een proces-verbaal van politie, inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] :

"Omtrent [betrokkene 5] kan ik u het volgende verklaren. [betrokkene 5] is een goede vriend van [verdachte] . [betrokkene 5] heeft een aantal malen verdovende middelen samen met [verdachte] opgehaald bij [betrokkene 7]. Deze verdovende middelen waren dan bestemd voor de "buitenlanders", onder andere [betrokkene 1] en [betrokkene 6] ."

3.4. Ingevolge art. 1, vijfde lid, Opiumwet is onder het buiten het grondgebied brengen van middelen als waarvan in de bewezenverklaring sprake is, mede begrepen het met bestemming naar het buitenland ten vervoer aanbieden van die middelen.

Dat de verdachte opzettelijk een hoeveelheid van één of meer van bovengenoemde middelen ten vervoer naar het buitenland aan [betrokkene 1] heeft aangeboden, en dusdoende buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht in vorengenoemde zin, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Daaraan doet, anders dan het middel kennelijk wil betogen, niet af dat die bewijsmiddelen niet inhouden dat de desbetreffende hoeveelheid softdrugs ook daadwerkelijk naar het buitenland is vervoerd.

Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de verdachte zich minstgenomen willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de door hem aan [betrokkene 1] verkochte hoeveelheid softdrugs naar Duitsland zou worden vervoerd. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] , naar de verdachte wist, een Duitser was, dat in de in verdachtes woning aangetroffen telefoonklapper een Duits telefoonnummer van [betrokkene 1] stond vermeld, dat de verdachte ten behoeve van de desbetreffende - niet onaanzienlijke - transactie een hotelkamer voor [betrokkene 1] had gereserveerd en dat de betaling door [betrokkene 1] in Duitse marken (DM 25.620) heeft plaatsgevonden. De dienaangaande opgeworpen klachten falen dus.

3.5. Het middel treft evenwel doel voorzover het klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat, zoals is bewezenverklaard, de verdachte ook een hoeveelheid van bedoelde middelen buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht door verkoop/overdracht aan één of meer (andere) onbekend gebleven (uit Duitsland afkomstige) personen.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt het geen hiervoor onder 3.5 is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de ten aanzien van feit 1 gegeven beslissingen en de strafoplegging;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 6 januari 2004.