Home

Hoge Raad, 24-06-2005, AQ7093, 38183

Hoge Raad, 24-06-2005, AQ7093, 38183

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 juni 2005
Datum publicatie
24 juni 2005
ECLI
ECLI:NL:HR:2005:AQ7093
Formele relaties
Zaaknummer
38183

Inhoudsindicatie

Wet WOZ. Art. 3:3 BW. Waardevaststelling voor stacaravanchalets op gehuurde grond ten onrechte achterwege gelaten. Gelijkheidsbeginsel.

Uitspraak

Nr. 38.183

24 juni 2005

wv

gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 13 februari 2002, nr. 99/00439, betreffende na te melden ten aanzien van X te Z gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Q voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 101.000.

Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft het hoofd van de afdeling Financieel beleid en Belastingen van de gemeente Harderwijk (hierna: het Hoofd) bij uitspraak de beschikking gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de bestreden uitspraak en de daarbij gehandhaafde beschikking vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk (hierna: B en W) heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 14 juni 2004 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie, vernietiging van de uitspraak van het Hof en wijziging van de WOZ-beschikking in die zin dat de waarde wordt vastgesteld op ƒ 29.375.

3. Beoordeling van 's Hofs uitspraak naar aanleiding van het middel en ambtshalve

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is eigenaar van een perceel grond, gelegen in een recreatiepark. Hij heeft op deze grond een stacaravanchalet laten plaatsen. Dit chalet is geplaatst op houten bielzen. Het heeft wielen en kan in beginsel worden verplaatst. De onderzijde is aan de zijkanten dichtgemaakt met tegels. Het is aangesloten op water, gas, elektra, het rioolstelsel, op de tv-kabel en op het telefoonnet. De inhoud is ongeveer 150 m3. Ter zake van het samenstel van de grond en het stacaravanchalet is aan belanghebbende een waardebeschikking afgegeven als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ).

In de gemeente Q zijn vier recreatieparken met stacaravanchalets als die van belanghebbende. In twee van deze parken gaat het (hoofdzakelijk) om chalets die door huurders van percelen grond op hun perceel zijn geplaatst, zonder dat er een opstalrecht is gevestigd. In die (343) gevallen heeft het Hoofd het desbetreffende chalet niet als een onroerende zaak beschouwd en daarvoor dus niet - ook niet als onderdeel van een samenstel - een waardebeschikking gegeven. In alle (318) gevallen waarin een chalet is geplaatst op eigen grond, waaronder het geval van belanghebbende, heeft het Hoofd voor het samenstel van grond en chalet een waardebeschikking gegeven, waarin de waarde van het chalet is begrepen.

3.2. Het Hof heeft, na met juistheid voorop te hebben gesteld dat voor de betekenis van het begrip 'onroerende zaak' in de Wet WOZ moet worden aangesloten bij artikel 3:3 van het Burgerlijk Wetboek, geoordeeld dat het stacaravanchalet van belanghebbende naar aard en inrichting is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven, en derhalve onroerend is. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat de andere stacaravanchalets op de vier recreatieparken in de gemeente Q stacaravanchalets zijn als die van belanghebbende, waarin ligt besloten dat die andere stacaravanchalets dezelfde eigenschappen bezitten die het chalet van belanghebbende onroerend doen zijn. Deze oordelen zijn in cassatie niet bestreden, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan.

3.3.1. Het Hof heeft vervolgens in onderdeel 5.6 geoordeeld dat ook de stacaravanchalets die op gehuurde grond zijn geplaatst naar aard en inrichting bestemd zijn om langdurig op dezelfde plaats te blijven staan, dat de aansluitingen op energievoorzieningen, riool, tv en telefoon daarop duiden, en dat de enkele omstandigheid dat deze stacaravanchalets zijn geplaatst op gehuurde grond niet meebrengt dat het er daarom voor moet worden gehouden dat een duurzame plaatsing door de eigenaren niet zal zijn beoogd. Daarmee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat ook deze stacaravanchalets onroerend zijn.

3.3.2. Laatstgenoemd oordeel wordt door het eerste onderdeel van het middel bestreden, doch tevergeefs. 's Hofs oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 31 oktober 1997, nr. 16404, NJ 1998/97) en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de bedoeling van de bouwer om gebouwen of werken al dan niet duurzaam met de grond te verenigen slechts relevant is, indien en voorzover die bedoeling kenbaar is uit bijzonderheden van aard en inrichting van die gebouwen of werken. Derhalve behoefde de omstandigheid dat de stacaravanchalets zijn geplaatst op gehuurde grond - welke omstandigheid niet kenbaar is uit aard en inrichting van de stacaravanchalets - het Hof niet ervan te weerhouden om op grond van de in aanmerking genomen feiten en omstandigheden te oordelen, naar in zijn uitspraak ligt besloten, dat de stacaravanchalets blijkens de naar buiten kenbare bedoeling van de bouwer of degene die opdracht tot plaatsing heeft gegeven, bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven. Dat een stacaravanchalet dat duurzaam met de gehuurde grond is verenigd, door natrekking eigendom wordt van de eigenaar-verhuurder van de grond (artikel 5:20 BW) en dat, zoals B en W stellen, zulks niet de bedoeling kan zijn van degene die zijn stacaravanchalet op gehuurde grond plaatst, doet aan het voorgaande niet af. Hierbij verdient opmerking dat in evenbedoeld geval de huurder van de grond ingevolge artikel 7:216 BW bevoegd is bij het einde van de huur het door hem geplaatste stacaravanchalet weg te nemen.

3.4. De Wet WOZ bepaalt dat van onroerende zaken de waarde wordt vastgesteld. Indien een stacaravanchalet een onroerende zaak is of deel uitmaakt van een onroerende zaak in de zin van de Wet WOZ, dient bij de waardevaststelling op de voet van die wet mitsdien met de waarde ervan te worden rekening gehouden. Voor de uitvoering van de Wet WOZ is niet relevant of een onroerend stacaravanchalet krachtens een persoonlijk recht van huur dan wel krachtens een (beperkt) zakelijk recht op de grond staat; in dat onderscheid is derhalve, anders dan het tweede onderdeel van het middel bepleit, geen rechtvaardiging gelegen om bij de uitvoering van de Wet WOZ de waarde van dergelijke stacaravanchalets buiten aanmerking te laten. Het tweede onderdeel van het middel faalt derhalve eveneens.

3.5. Uit het voorgaande volgt dat bij de waardering van een samenstel bestaande uit grond en een daarop geplaatst onroerend stacaravanchalet niet relevant is of dat chalet is geplaatst op gehuurde dan wel op eigen grond. Ook de typering als stacaravanchalet is daarbij geen relevante factor. De heffingsambtenaar heeft dus gevallen die afgezien van deze niet-relevante kenmerken gelijk zijn, ongelijk behandeld: de waarde van stacaravanchalets op gehuurde grond is ten onrechte bij de waardebepaling buiten aanmerking gelaten, terwijl bij de waardebepaling van andere gebouwde eigendommen op gehuurde grond de wet naar mag worden aangenomen juist is toegepast, evenals bij de waardebepaling van stacaravanchalets en andere gebouwde eigendommen op eigen grond.

Het Hof heeft dit onderkend, en kwam aldus toe aan beoordeling van belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel.

3.6. In dat verband heeft het Hof in onderdeel 5.7 van de bestreden uitspraak de zogenoemde meerderheidsregel van toepassing geoordeeld, zulks evenwel ten onrechte. Immers, voor toepassing van de meerderheidsregel is geen plaats indien de ongelijke behandeling is terug te voeren op een beleid (vgl. HR 27 juli 1999, nr. 34548, BNB 1999/403), en de stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat het in het kader van de toepassing van de Wet WOZ buiten aanmerking laten door de heffingsambtenaar van de waarde van stacaravanchalets die zijn geplaatst op gehuurde grond, berustte op een door hem gevoerd beleid.

3.7. Uit het onder 3.6 overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Middelonderdeel 3 behoeft geen behandeling meer. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3.8. Het gaat hier niet om een ongelijkheid die voortkomt uit een bewust begunstigend beleid dat is gevoerd ten opzichte van een bepaalde groep, maar om een ongelijkheid die het gevolg is van een beleid dat berustte op een naar uit het hiervoor onder 3.3.2 en 3.4 overwogene volgt onjuiste opvatting van het wettelijk begrip onroerend.

Wanneer beleid dat berust op een onjuiste rechtsopvatting naar zijn bedoeling slechts is gevoerd ten aanzien van een bepaalde groep belastingplichtigen (in het onderhavige geval: belastingplichtigen ter zake van stacaravanchalets op gehuurde grond) en aannemelijk is, zoals te dezen, dat het zonder die onjuiste rechtsopvatting achterwege zou zijn gebleven, kunnen belastingplichtigen die niet tot die bepaalde groep behoren (zoals belanghebbende, eigenaar van een stacaravanchalet dat niet op gehuurde grond staat) niet met vrucht een beroep doen op toepassing, over een tijdvak of met betrekking tot een tijdstip vóórdat van de onjuistheid van die rechtsopvatting was gebleken, van het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur (vgl. HR 5 februari 1997, nr. 31312, BNB 1997/160, onderdeel 3.10). Het gelijkheidsbeginsel brengt immers niet mee dat het betrokken bestuursorgaan het ten aanzien van een bepaalde groep van gevallen met een specifiek kenmerk gevoerde, op een met dat kenmerk verband houdende onjuiste rechtsopvatting berustende beleid ook toepast op niet tot die groep behorende maar voor het overige voor de toepassing van de wet wel gelijke gevallen.

De onderhavige waardebeschikking, waarvan de juistheid voor het overige niet is aangevochten, dient derhalve in stand te blijven.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, A.R. Leemreis, C.J.J. van Maanen en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2005.