Home

Hoge Raad, 08-07-2005, AT8942, 39850

Hoge Raad, 08-07-2005, AT8942, 39850

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 juli 2005
Datum publicatie
8 juli 2005
ECLI
ECLI:NL:HR:2005:AT8942
Zaaknummer
39850
Relevante informatie
Wet waardering onroerende zaken [Tekst geldig vanaf 01-01-2023 tot 01-01-2024] art. 17

Inhoudsindicatie

WOZ-waardering; meerderheidsregel.

Uitspraak

Nr. 39.850

8 juli 2005

RS

gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen te IJmuiden (hierna: het college) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 april 2003, nr. 02/02604, betreffende na te melden ten aanzien van X te Z gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 vastgesteld op ƒ 262.999 (€ 119.344).

Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft het Hoofd van de afdeling Onroerende Zaken en Belastingen van de gemeente Velsen (hierna: het hoofd) de beschikking gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van het hoofd vernietigd en de bij de beschikking vastgestelde waarde verminderd tot ƒ 205.000 (€ 93.025). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Het college heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Middel 1 klaagt uitsluitend, middel 2 gedeeltelijk over 's Hofs vaststelling van hetgeen ter zitting namens het hoofd is verklaard, en over 's Hofs mede daarop gebaseerde feitenvaststelling. Deze klachten falen, omdat die vaststellingen aan het Hof zijn voorbehouden.

3.2. Middel 2 gaat er terecht van uit dat het Hof bij de toepassing van de zogenoemde meerderheidsregel de relevante groep kennelijk heeft beperkt tot panden die "identiek" zijn aan dat van belanghebbende. Het middel betoogt dat de relevante groep wordt gevormd door panden die "vergelijkbaar" zijn met dat van belanghebbende, in die zin dat zij in het kader van de WOZ-waardering van het pand van belanghebbende geschikt zijn om te dienen als referentie-object.

Dit betoog is onjuist. De omstandigheid dat een WOZ-waardering kan worden gebaseerd op transactieprijzen van "vergelijkbare" objecten, doet er niet aan af dat voor de toepassing van de meerderheidsregel in WOZ-zaken - buiten de gevallen waarin het gaat om fouten die gemaakt zijn ten aanzien van specifieke, aan een aantal woningen gemeenschappelijke kenmerken waardoor die zich van andere woningen onderscheiden (vgl. HR 17 juni 1992, nr. 26777, BNB 1992/294) - de relevante groep wordt gevormd door objecten die identiek zijn, in die zin dat de onderlinge verschillen naar het oordeel van de feitenrechter verwaarloosbaar zijn, zoals bijvoorbeeld bij rijtjeshuizen niet noodzakelijk, maar wel mogelijk het geval zal zijn. Dit brengt enerzijds mee dat een beroep op de meerderheidsregel ondersteund dient te worden met de stelling dat minstens twee identieke objecten lager zijn gewaardeerd, anderzijds dat de heffingsambtenaar, op wiens weg het ligt te stellen dat de relevante groep groter is, daartoe slechts (juist gewaardeerde) objecten zal kunnen aanwijzen die eveneens identiek zijn aan dat van de klager.

3.3. Middel 2 gaat er voorts terecht van uit dat het Hof de relevante groep kennelijk heeft beperkt tot identieke panden die gelegen zijn aan dezelfde straat als dat van belanghebbende. Het middel klaagt terecht dat deze beperking onjuist is. Zowel ter ondersteuning als ter weerlegging van een beroep op de meerderheidsregel zal gewezen kunnen worden op alle identieke panden die gelegen zijn binnen het ambtsgebied van het betrokken bestuursorgaan (de heffingsambtenaar), dat wil zeggen binnen de grenzen van de desbetreffende gemeente.

3.4. De onder 3.3 besproken klacht kan evenwel niet tot cassatie leiden. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt immers niet dat het hoofd, op wiens weg dat zou hebben gelegen, voor het Hof heeft aangevoerd dat er binnen de gemeente nog andere aan die van belanghebbende identieke woningen zijn die niet te laag zijn gewaardeerd.

3.5. Mede op grond van het onder 3.1 en 3.4 overwogene moet in cassatie van het volgende worden uitgegaan:

(a) de woning van belanghebbende maakt deel uit van een rijtje van vijf identieke woningen;

(b) de woning van belanghebbende is juist gewaardeerd;

(c) drie andere van de vijf identieke woningen zijn als gevolg van een fout te laag gewaardeerd, alle lager dan die van belanghebbende;

(d) buiten die vijf woningen bevinden zich in de gemeente Velsen geen daaraan identieke, juist gewaardeerde woningen.

3.6. Deze feiten dwingen tot de gevolgtrekking dat in een meerderheid van de aan dat van belanghebbende gelijke gevallen te laag is gewaardeerd, zodat het Hof belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel terecht heeft gehonoreerd, wat er zij van de daartoe gebezigde motivering. De middelen falen derhalve ook voor het overige.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2005.

Van de Gemeente Velsen wordt ter zake van het door het college ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 414.