Home

Hoge Raad, 22-01-2008, BB6354, 03046/06 E

Hoge Raad, 22-01-2008, BB6354, 03046/06 E

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 januari 2008
Datum publicatie
23 januari 2008
ECLI
ECLI:NL:HR:2008:BB6354
Formele relaties
  • Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BB6354
  • In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2005:AU8386, Meerdere afhandelingswijzen
  • In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2007:BA9181, Meerdere afhandelingswijzen
Zaaknummer
03046/06 E

Inhoudsindicatie

Art. 225 Sr. Uit de bewijsmiddelen volgt dat X BV wat betreft de aan de daarin genoemde afnemers geleverde producten op de in verband daarmee opgemaakte facturen verhulde wat in werkelijkheid werd geleverd, zulks door i.p.v. de naam van de geleverde producten een algemene omschrijving daarvan op die facturen te vermelden, terwijl verdachte daaraan feitelijke leiding gaf. Nu dit verhullen geschiedde met het opzet om de effectieve toepassing van de wet- en regelgeving inzake de diergeneesmiddelenvoorziening te ontgaan, moet dit verhullen in een geval als i.c., gelet op de in deze wetgeving neergelegde regels over registratie en controle van diergeneesmiddelen, worden aangemerkt als het valselijk opmaken i.d.z.v. art. 225 Sr.

Uitspraak

22 januari 2008

Strafkamer

nr. 03046/06 E

IC/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, Economische Kamer, van 14 november 2005, nummer 21/004782-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Utrecht van 11 september 2003 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1 subsidiair "valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd", 2 subsidiair "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid van de Diergeneesmiddelenwet, driemaal gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging" en 3 subsidiair "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2, eerste lid (de Hoge Raad leest: artikel 49) van de Diergeneesmiddelenwet, driemaal gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging" veroordeeld, ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde, tot zes maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde tot drie geldboetes, elk van € 2.500,-, subsidiair 50 dagen hechtenis en ten aanzien van het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde tot drie geldboetes, elk van € 2.500,-, subsidiair 50 dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. D.J.P. van Barneveld en mr. A.S. ten Doesschate, beiden advocaat te Zwolle, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen met betrekking tot de beslissingen ten aanzien van de feiten 2 en 3, dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van die feiten, en voorts dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak ten aanzien van feit 1 zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de bewezenverklaring voor zover die betrekking heeft op de in de middelen vier en vijf bedoelde facturen en ten aanzien van de strafoplegging, met verwerping van het beroep voor het overige.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het zesde, het zevende en het achtste middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het recht tot strafvordering ten aanzien van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten is komen te vervallen door verjaring.

4.2. Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg, tenlastegelegd - voor zover hier van belang - dat:

"2.

Primair

hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot 5 juli 2002 te Veenendaal, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een diergeneesmiddel dat (telkens) niet is geregistreerd (telkens) heeft bereid en/of voorhanden en/of in voorraad heeft gehad en/of heeft afgeleverd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) (telkens)

(...)

Subsidiair

[bedrijf A] op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot 5 juli 2002 te Veenendaal, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een diergeneesmiddel dat (telkens) niet is geregistreerd (telkens) heeft bereid en/of voorhanden en/of in voorraad heeft gehad en/of heeft afgeleverd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) (telkens)

(...)

zulks terwijl hij, verdachte, - als bestuurder/-directeur van [bedrijf A] - (telkens) toen aldaar tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven;

(...)

3.

Primair

hij op of omstreeks 22 april 2002 te Veenendaal, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (een) diergeneesmiddel(en) als bedoeld in art. 3, lid 1 van het Besluit verboden stoffen Diergeneesmiddelenwet, te weten (...) heeft bereid en/of voorhanden en/of in voorraad heeft gehad en/of heeft afgeleverd;

(...)

Subsidiair

[bedrijf A] op of omstreeks 22 april 2002 te Veenendaal, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (een) diergeneesmiddel(en) als bedoeld in art. 3, lid 1 van het Besluit verboden stoffen Diergeneesmiddelenwet, te weten (...) heeft bereid en/of voorhanden en/of in voorraad heeft gehad en/of heeft afgeleverd,

zulks terwijl hij, verdachte, - als bestuurder/-directeur van [bedrijf A] - (telkens) toen aldaar tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven;

(...)"

4.3. Het onder 2 tenlastegelegde feit is strafbaar gesteld bij art. 2 Diergeneesmiddelenwet in verbinding met art. 1, onder 1°, en art. 2, eerste lid, Wet op de economische delicten (hierna: WED). Het onder 3 tenlastegelegde is strafbaar gesteld bij art. 4 Besluit verboden stoffen Diergeneesmiddelenwet in verbinding met art. 49 Diergeneesmiddelenwet en met art. 1, onder 1°, en art. 2, eerste lid, WED. Nu niet is tenlastegelegd dat deze delicten opzettelijk zijn begaan, vormt het tenlastegelegde ingevolge art. 2, eerste lid, van laatstgenoemde wet in beide gevallen een overtreding.

4.4. Het onder 2 tenlastegelegde feit is volgens de tenlastelegging begaan in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot 5 juli 2002. Het onder 3 tenlastegelegde feit is volgens de tenlastelegging begaan op of omstreeks 22 april 2002. Op grond van het tweede lid van art. 72 Sr zoals dat luidde van 1 januari 2006 tot 7 juli 2006, beloopt de verjaringstermijn in beide gevallen ten hoogste twee maal twee jaar. Het recht tot strafvordering is derhalve wegens verjaring vervallen.

4.5. Het middel is terecht voorgesteld.

5. Beoordeling van het vierde en het vijfde middel

5.1. Het vierde middel klaagt dat het Hof onder 1 ten onrechte heeft bewezenverklaard dat [bedrijf A] opzettelijk facturen valselijk heeft opgemaakt door op die facturen een algemene, doch niet onware omschrijving van bepaalde producten te vermelden. Het vijfde middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven op grond waarvan het is afgeweken van het namens de verdachte naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat een algemene omschrijving van producten geen valsheid in de zin van art. 225 Sr oplevert. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

5.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 - voor zover hier van belang - bewezenverklaard dat:

"[bedrijf A] op tijdstippen in de periode van 1 januari 2001 tot en met 17 juli 2002 te Veenendaal, opzettelijk, meermalen, telkens facturen en/of periodieke nota analyses en/of overzichten ontvangen voorraad - elk zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - telkens valselijk heeft opgemaakt, immers heeft [bedrijf A] telkens valselijk op genoemde facturen en/of periodieke nota analyses en overzichten ontvangen voorraad onjuiste gegevens vermeld, te weten:

(...)

- op factuur [0001] d.d. 4 juni 2002 ten name van [betrokkene 1] onder meer omschrijving "produits d'entretien chevaux" genoemd terwijl equisumo is besteld en/of geleverd (zie bijlage 1/D/243 en/of 1/D/244 bij procesverbaal nr. 7761 van de Algemene Inspectiedienst) en

(...)

- op factuur [0002] d.d. 12 april 2002 ten name van [betrokkene 2] onder meer omschrijving paardenverzorgingsmiddelen genoemd terwijl sedalin en/of nat.b.carb 5 kg en/of biodyl en/of vulketan en/of vit B12/5000 en/of kynoselen en/of hemo 15 en/of MSM en/of betadine is/zijn besteld en/of geleverd (zie bijlage 1/D/438 en/of 1/D/439 bij procesverbaal nr. 7761 van de Algemene Inspectiedienst) en

- op factuur [0003] d. d. 7 mei 2002 ten name van [bedrijf B] onder meer omschrijving(en) paardenverzorgingsmiddel en/of dierverzorgingsmiddel genoemd terwijl boldane en protabol is/zijn besteld en/of geleverd (zie bijlage 1/D/451 en/of 1/D/452 bij procesverbaal nr. 7761 van de Algemene Inspectiedienst) en

(...)

- op factuur [0004] d.d. 1 mei 2002 ten name van [betrokkene 3] onder meer omschrijving Pflegemittel genoemd terwijl eraquell is besteld en/of geleverd (zie bijlage 1/D/487 en/of 1/D/488 bij procesverbaal nr. 7761 van de Algemene Inspectiedienst) en

- op factuur [0005] d.d. 26 maart 2002 ten name van [bedrijf C] onder meer omschrijving pferdepflegemittel genoemd terwijl kynoselen en/of bex block is/zijn besteld en/of geleverd (zie bijlage 1/D/503 en/of 1/D/504 bij procesverbaal nr. 7761 van de Algemene Inspectiedienst) en

(...)

(zodat deze [telkens] niet waarheidsgetrouw ontvangen en/of geleverde producten aangaven) zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen te gebruiken,

zulks terwijl hij verdachte, - als bestuurder/-directeur van [bedrijf A] - telkens aan die verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven."

5.3. Het Hof heeft een ter terechtzitting ter zake van dit feit gevoerd verweer in zijn arrest - voor zover hier van belang - als volgt samengevat en verworpen:

"Met betrekking tot feit 1

Bij de bespreking van de verschillende verweren houdt het hof, waar dat te pas komt, de nummering aan die de raadsman bij omschrijving van de verschillende valse facturen in de tenlastelegging heeft aangebracht.

In het - zeer uitvoerige - elk in de tenlastelegging vermelde preparaat besprekende verweer valt aan hoofdlijnen te onderkennen dat

(...);

B. de gekozen omschrijving geen echte inhoudelijke valsheid oplevert omdat bijvoorbeeld een ruimere, maar wel ware, omschrijving is gehanteerd;

(...).

In de gevallen hiervoor globaal omschreven sub B (...) zou dat vrijspraak moeten opleveren; (...)

Het hof is het met de hiervoor kort samengevatte opvattingen van de verdediging niet eens. Door [bedrijf A] werd in de in de tenlastelegging omschreven gevallen de handelwijze gevolgd om in samenspraak met de afnemer een ander middel op de factuur te vermelden dan het middel dat in werkelijkheid geleverd werd. Door aldus te verhullen wat geleverd was of werd frustreerde verdachte het toezicht dat door de wetgever is gedacht voor de bedrijfstak waarin verdachte actief is en daarmee ook de belangen waarvoor die regelgeving staat. In die belichting dient niet alleen de ernst van de valsheden te worden beoordeeld (hetgeen inderdaad de strafmaat betreft) maar ook de vraag of, bijvoorbeeld, het uitwijken naar een ruimere omschrijving (zoals bij punt 5 met de keuze voor "produits d'entretien des chevaux" in plaats van "Equisumo" gebeurde, of bij punt 13 "Pflegemittel" in plaats van het vrij verkrijgbare Eraquell) een inhoudelijk vals stuk opleverde. In de ogen van het hof is zonder belang of de afnemer met recht te vrezen had voor de gevolgen van een juiste vermelding op de factuur. Het gaat erom dat [bedrijf A] controle op haar handelen in de desbetreffende gevallen onmogelijk, of althans lastig te realiseren, maakte."

5.4. De bewezenverklaring steunt - voor zover hier van belang - op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Ik heb mij samen met een ander in de periode van 1 januari 2001 tot en met 17 juli 2002 in mijn bedrijf te [vestigingsplaats] schuldig gemaakt aan het opstellen van valse facturen voor dierengeneesmiddelen en voorraadoverzichten. Bepaalde medicamenten werden door mij op de nota's verhuld. Op de facturen stonden andere middelen vermeld."

b. een proces-verbaal van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, opgemaakt door de buitengewone opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten:

"Op 17 juli 2002 is de administratie over de periode 01 januari 2001 tot en met 17 juli 2002 in beslag genomen in het kantoor van [bedrijf A], op het adres [a-straat 1], [postcode] [vestigingsplaats]. De inbeslagneming heeft plaatsgevonden in het bijzijn van directeur [verdachte] en medewerker [betrokkene 4]. In de administratie zijn door ons diverse bescheiden aangetroffen waaronder kladbriefjes, orderbonnen, faxberichten, e-mailberichten en facturen die betrekking hebben op bestelling en verkoop van voornamelijk diergeneesmiddelen en voederadditieven. Tijdens het administratief onderzoek in de administratie van [bedrijf A] alsmede door het horen van de verdachten en getuigen is vastgesteld dat veelal op verzoek van klanten facturen valselijk zijn opgemaakt.

Onderzoeksresultaten per afnemer

(...)

[betrokkene 1]

Bevindingen hierin: [Betrokkene 1] bestelt 3 liter Equisumo bij [bedrijf D] te [plaats A]. [Betrokkene 5] van [bedrijf D] verzoekt het product te verzenden met "aangepaste factuur". Op de factuur lezen we dat het middel in de franse taal als paardenverzorgingsmiddel omschreven wordt. Deze factuur wordt betaald en verzonden in een pakketje van 3,37 kg.

(...)

[Betrokkene 2] te [woonplaats]

Bevindingen hierin: Op een kopie van een kladbriefje (1/D/438) staan onder andere niet in Nederland geregistreerde middelen genoteerd met hierboven de naam [betrokkene 2]. Hieraan zit een factuur geniet van [bedrijf A] (1/D/439) met hierop de productomschrijving Paardenverzorgingsmiddelen. Het origineel geschreven briefje wordt tussen losse briefjes gevonden (1/D/440).

[Betrokkene 6] TE [woonplaats]

Bevindingen hierin: Op een faxbestelling van [bedrijf A] staat een handgeschreven aantekening met een bestelling van 1 stuks Boldane en 1 stuks Protabol. Hierop staat eveneens geschreven dat de rekening naar [bedrijf B] te [plaats B] moet. Op de factuur aan [bedrijf B] lezen wij de omschrijving Paardenverzorgingsmiddel en Dierverzorgingsmiddel.

(...)

[Betrokkene 3]

Bevindingen hierin: Op blauw orderformulier levering 48 stuks Eraquell en een proef-levering. Op factuur wordt Pflegemittel genoemd.

[Bedrijf C]

Bevindingen hierin: Zevenmaal worden notities aangetroffen op kladbriefjes en blauwe rekeningbriefjes met productomschrijvingen. Op de factuur van [bedrijf A] worden deze (de Hoge Raad begrijpt:) producten omschreven als Tierflegemiddel en/of Pferdepflegemittel . Vanaf ongeveer oktober 2001 komen de omschrijvingen Tierpflegemittel en/of

Pferde-pflegemittel veel voor op de facturering van dit bedrijf."

5.5. Uit deze bewijsmiddelen volgt dat [bedrijf A] wat betreft de aan de daarin genoemde afnemers geleverde producten op de in verband daarmee opgemaakte facturen verhulde wat in werkelijkheid werd geleverd, zulks door in plaats van de naam van de geleverde producten een algemene omschrijving daarvan op die facturen te vermelden, terwijl de verdachte daaraan feitelijk leiding gaf. Nu, naar uit de bewijsmiddelen moet worden afgeleid, dit verhullen geschiedde met het opzet om de effectieve toepassing van de wet- en regelgeving inzake de diergeneesmiddelenvoorziening te ontgaan, moet dit verhullen in een geval als het onderhavige, gelet op de in deze wetgeving neergelegde regels over registratie en controle van diergeneesmiddelen, worden aangemerkt als het valselijk opmaken in de zin van art. 225 Sr. 's Hofs oordeel dat de verdachte onder de gegeven omstandigheden feitelijk leiding heeft gegeven aan het valselijk opmaken van facturen getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Voor zover namens de verdachte dienaangaande ter terechtzitting van het Hof een of meer uitdrukkelijk onderbouwde standpunten zijn verwoord, vinden die standpunten hun weerlegging in 's Hofs onder 5.3 weergegeven overweging en in de gebezigde bewijsmiddelen.

5.6. De middelen falen.

6. Beoordeling van het negende middel

6.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

6.2. De verdachte heeft op 22 november 2005 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 15 november 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

7. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het eerste en het derde middel geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde:

vernietigt de bestreden uitspraak, behoudens voor zover daarbij waar het die feiten betreft het vonnis van de Rechtbank, Economische Kamer, is vernietigd;

verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ter zake van de onder 2 en 3 tenlastegelegde overtredingen;

ter zake van het onder 1 tenlastegelegde:

vernietigt de bestreden uitspraak wat betreft het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert het aantal uren taakstraf in die zin dat dit 216 uren bedraagt;

vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 108 dagen beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, J.W. Ilsink, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 22 januari 2008.