Home

Hoge Raad, 03-10-2008, BF3807, 42993

Hoge Raad, 03-10-2008, BF3807, 42993

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 oktober 2008
Datum publicatie
3 oktober 2008
ECLI
ECLI:NL:HR:2008:BF3807
Zaaknummer
42993

Inhoudsindicatie

Belanghebbende niet voor de tweede maal betreffende dezelfde verkrijging aangeslagen in het recht van schenking. Persoon schenker essentieel element van de aanslag. Veroordeling in de proceskosten. Kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitspraak

Nr. 42.993

3 oktober 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 december 2005, nr. BK-04/02624, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in het recht van schenking.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is ter zake van een schenking door A een aanslag in het recht van schenking opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft het incidentele beroep beantwoord.

Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Op 22 december 2003 heeft belanghebbende tezamen met haar grootmoeder, A en haar moeder, B, en met toestemming van haar vader, C, een onderhandse akte van schenking ondertekend.

3.1.2. In deze akte is onder meer het volgende opgenomen:

" SCHENKING

Ondergetekenden:

A, (...) hierna te noemen:

Schenker A

en

B, (...) hierna te noemen:

Begiftigde A en schenker B;

en

X (belanghebbende, HR) (...), hierna te noemen:

Begiftigde B;

zijn het volgende overeengekomen:

Schenker A schenkt aan haar dochter, begiftigde A, een bedrag van € 20.000 (...), zonder ontbindende voorwaarden, doch onder de volgende voorwaarde:

* Begiftigde A dient als schenker B een bedrag van € 20.000 (..) vrij van recht te schenken aan haar dochter, begiftigde B onder de volgende ontbindende voorwaarden:

* dat begiftigde B eerder overlijdt dan schenker A;

* dat begiftigde B eerder overlijdt dan begiftigde A of dier echtgenoot;

* dat begiftigde B beroep doet op een instantie waar een vermogenstoets geldt;

* dat begiftigde B de schenking niet accepteert, dan wel het geschonken bedrag restitueert.

(..)"

3.1.3. Op de voet van artikel 40, lid 2, van de Successiewet 1956 (hierna: de Wet) is bij brief van 7 januari 2004 aangifte gedaan van het recht van schenking onder bijvoeging van de onder 3.1.1 bedoelde onderhandse akte.

3.1.4. Met dagtekening 10 respectievelijk 17 februari 2004 heeft de Inspecteur aan de moeder van belanghebbende respectievelijk belanghebbende aanslagen in het recht van schenking 2003 opgelegd, naar een verkrijging van € 20.000 respectievelijk € 20.792. Hij is daarbij ervan uitgegaan dat belanghebbende de schenking had verkregen van haar moeder. Op daartegen tijdig ingediend bezwaar heeft de Inspecteur beide aanslagen bij uitspraken van 16 maart 2004 verminderd tot nihil.

3.1.5. Eveneens op 16 maart 2004 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de onderhavige aanslag in het recht van schenking 2003 opgelegd naar een verkrijging van € 21.600. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij bij nadere beschouwing van de schenkingsakte tot het inzicht is gekomen dat belanghebbende het bedrag van € 20.000 als lastbevoordeelde vrij van recht heeft verkregen van haar grootmoeder.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende met de onder 3.1.5 bedoelde aanslag voor de tweede maal voor dezelfde verkrijging in de heffing van het recht van schenking voor het jaar 2003 is betrokken. Volgens het Hof kan binnen het wettelijk systeem na het opleggen van een aanslag ten aanzien van een verkrijger ter zake van eenzelfde verkrijging slechts dan een tweede aanslag worden opgelegd indien is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een navorderingsaanslag. Aan die voorwaarden is volgens het Hof niet voldaan.

4. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

4.1. Het middel, dat zich richt tegen het onder 3.2 vermelde oordeel van het Hof, slaagt. Nu de persoon van de schenker een essentieel element is van de aanslag (HR 3 februari 1988, nr. 24823, BNB 1988/131), kunnen de onderhavige aan belanghebbende opgelegde aanslagen die uitgaan van verschillende schenkers niet betrekking hebben op dezelfde verkrijging. Indien de eerste aan belanghebbende opgelegde aanslag een verkrijging betrof uit een schenking die in werkelijkheid niet had plaatsgevonden, stond het de Inspecteur dan ook vrij haar vervolgens aan te slaan voor een verkrijging uit de schenking die wél had plaatsgevonden. Het Hof heeft dit miskend.

4.2. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een beoordeling van de subsidiaire en de meer subsidiaire grief van belanghebbende in beroep, alsmede van de - kennelijk vooropgestelde - grief dat de schenkingsakte twee schenkingen behelst.

5. Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

5.1. Belanghebbende klaagt in cassatie erover dat het Hof, na te hebben geoordeeld dat het beroep van belanghebbende doel treft, geen termen aanwezig heeft geacht voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbende voert aan dat sprake was van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

5.2. Het middel slaagt. De gemachtigde van belanghebbende bezigde in de procedure voor het Hof briefpapier van D met daarop een zogenoemd beconnummer. Daarin ligt de stelling besloten dat de gemachtigde belanghebbende in dit geding beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet dat de Inspecteur daaromtrent een ander standpunt heeft ingenomen. Het Hof heeft ook geen enkel feit vastgesteld dat in andere richting wijst. Een en ander laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende voor het Hof werd vertegenwoordigd door een beroepsmatig rechtsbijstand verlenende gemachtigde. De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding geven voorts geen aanleiding voor de veronderstelling dat voor het Hof geen aanspraak werd gemaakt op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand.

Indien belanghebbendes beroep door het verwijzingshof gegrond wordt verklaard, dient de Inspecteur ter zake van het geding voor het Hof alsnog in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand te worden veroordeeld (vgl. HR 25 oktober 2002, nr. 37440, BNB 2003/15).

6. Proceskosten

Wat betreft het incidentele cassatieberoep van belanghebbende zal de Staatssecretaris van Financiën worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart zowel het principale als het incidentele beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2008.